ECLI:NL:RVS:2003:AL7634
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- B.J. van Ettekoven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging plaatsing pand op gemeentelijke monumentenlijst door college Deventer
Het college van burgemeester en wethouders van Deventer plaatste op 10 april 2001 het pand van appellant op de gemeentelijke monumentenlijst. Appellant maakte bezwaar, dat bij besluit van 4 februari 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het college op grond van de Monumentenverordening 1990 bevoegd is om panden als gemeentelijk monument aan te wijzen. Het college had het pand gemotiveerd aangemerkt als een van de fraaiste Knuttelpanden met architectuur- en cultuurhistorische waarde, mede gelet op adviezen van deskundige commissies. De brief van de Rijksdienst voor Monumentenzorg bevatte geen tegenadvies dat tot een ander oordeel zou leiden.
De Raad van State oordeelde dat het college zijn beoordelingsvrijheid niet had overschreden en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt, mede gelet op de mogelijkheid tot latere wijzigingen en vergunningverlening. De rechtbank had ten onrechte artikel 6:22 Awb Pro toegepast om een motiveringsgebrek te herstellen, maar dit deed niet af aan de rechtmatigheid van het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot plaatsing van het pand op de gemeentelijke monumentenlijst wordt bevestigd.