ECLI:NL:RVS:2003:AL7702
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- C. Taal
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom voor onjuiste mestopslag wegens onvoldoende motivering
Verweerder legde appellante een last onder dwangsom op wegens het opslaan van mest in strijd met voorschrift 1.1.7 van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Deze last had een dwangsom van € 1.134,45 per overtreding met een maximum van € 4.537,80 en een begunstigingstermijn van drie weken.
Na meerdere constatering van overtredingen in 2000 en 2001, werd de last opgelegd. Appellante voerde aan dat de last een preventief karakter heeft en alleen bij klaarblijkelijk gevaar mag worden opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de last een reactie was op geconstateerde overtredingen en dat de bevoegdheid tot oplegging aanwezig was.
Echter, verweerder hield bij het bestreden besluit geen rekening met het feit dat sinds de oplegging in december 2001 geen overtredingen meer waren geconstateerd. Dit was een relevante omstandigheid die onvoldoende was gemotiveerd, waardoor het besluit in strijd was met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.