ECLI:NL:RVS:2003:AL8886

Raad van State

Datum uitspraak
7 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304071/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • M.L.D. Trippert-van Gemeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet milieubeheer
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging milieubelastingvergunning composteerinrichting

Bij besluit van 6 juni 2003 heeft de provincie Zuid-Holland aan Groenrecycling Combinatie B.V. een vergunning verleend voor het veranderen van een composteerinrichting te Voorschoten. Deze wijziging betrof onder meer het toestaan van een vloeistofkerende in plaats van een vloeistofdichte voorziening voor de opslag van bepaalde organische afvalstoffen.

Verzoekster, de vereniging Recht door Recht, stelde dat deze wijziging onterecht was omdat de vergunninghouder geen vloeistofdichte voorziening had aangelegd. De Raad van State overwoog dat een vloeistofkerende voorziening, mits gekeurd, als vloeistofdicht kan worden aangemerkt, maar dat in dit geval een keuring ontbrak.

De voorzitter nam het standpunt van de provincie over dat er geen gevaar voor bodemverontreiniging is bij gebruik van de bestaande vloeistofkerende vloer, mits deze afwaterend is aangelegd. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang wees de voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de wijziging van de milieubelastingvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200304071/2.
Datum uitspraak: 7 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
de vereniging "Recht door Recht", gevestigd te Voorschoten,
verzoekster,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2003, kenmerk DGWM/2003/7009, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Groenrecycling Combinatie B.V." een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting voor het composteren van organische afvalstoffen gelegen aan de Papelaan-West (ong.) te Voorschoten, kadastraal bekend gemeente Voorschoten, sectie […], nummers […] en […]. Dit besluit is op 16 juni 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 26 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 26 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 september 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door M.W. van de Lint en W.J. ter Keurs, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. drs. A.J. Rusting en ing. A. Soedhwa, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ing. M. Boers, gemachtigde, als partij daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij besluit van 11 januari 2002 is voor onderhavige inrichting een revisievergunning verleend waarin onder meer is voorgeschreven dat de opslag van het te composteren materiaal, het gehele composteringsproces, het inkuilen van gras alsmede de opslag van het narijpingsproduct, de rijpe compost en de afvalwaterbuffer dient plaats te vinden op een blijvend vloeistofdichte bodembeschermende voorziening, die zodanig is uitgevoerd dat geen (vloei)stoffen in de bodem en/of in het omringende terrein terecht kunnen komen. Voorts is in die vergunning bepaald dat de voorziening dient te worden gekeurd conform CUR/PBV-Aanbeveling 44 en, indien nodig, hersteld.
Op verzoek van vergunninghoudster is bij het bestreden besluit de voormelde vergunning in die zin gewijzigd dat ten aanzien van de opslag van de te composteren organische afvalstoffen, het in te kuilen gras, de compost en de zwarte grond en ten aanzien van het narijpingsproces en de waterbuffer volstaan kan worden met - kort samengevat - een vloeistofkerende voorziening in plaats van een vloeistofdichte voorziening. Ten aanzien van het composteren en het inkuilen van gras(rollen) is het verzoek van vergunninghoudster om te kunnen volstaan met een vloeistofkerende voorziening, afgewezen.
2.2.1. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de onderliggende revisievergunning heeft gewijzigd ten aanzien van de opslag van diverse afvalstoffen. Zij voeren onder meer aan dat het niet juist is het wijzigingsverzoek gedeeltelijk te honoreren terwijl vergunninghoudster heeft nagelaten een vloeistofdichte voorziening aan te leggen.
2.2.2. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is in de inrichting voor de opslag van afvalstoffen een vloeistofkerende voorziening aangelegd. Verder is gebleken dat een dergelijke voorziening – kort weergegeven – kan worden aangemerkt als een vloeistofdichte voorziening zodra deze gekeurd is. Een dergelijke keuring heeft in onderhavig geval niet plaatsgevonden.
Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat er geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem indien voor de opslagactiviteiten wordt volstaan met de bestaande vloeistofkerende vloer indien deze afwaterend is aangelegd. Het is de Voorzitter niet gebleken dat dit standpunt onjuist is. In het licht hiervan bestaat er naar het oordeel van de Voorzitter in zoverre dan ook geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.L.D. Trippert-van Gemeren, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Trippert-van Gemeren
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2003
289.