ECLI:NL:RVS:2003:AL8904

Raad van State

Datum uitspraak
10 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305668/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
  • P.A. Melse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vergunning champignonkwekerij

Bij besluit van 1 juli 2003 verleende het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel een vergunning aan vergunninghouders voor het oprichten en in werking hebben van een champignonkwekerij. Het besluit werd op 17 juli 2003 ter inzage gelegd. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 30 september 2003, waarbij partijen werden gehoord. Verzoeker vreesde geluid- en stankhinder vanwege de nabijheid van de champignonkwekerij, alsmede onvoldoende capaciteit van de bezinkinstallatie en gemeentelijke riolering voor de verwerking van bedrijfsafvalwater, en overlast door overstromingen.

De Voorzitter oordeelde dat op basis van de vergunningvoorschriften en de afstand tot de woning van verzoeker geen onaanvaardbare geluid- of stankhinder te verwachten is. Ook bleek de capaciteit van de bezinkinstallatie en riolering voorlopig toereikend. Bezwaren over naleving van voorschriften zijn niet relevant voor de rechtmatigheid van de vergunning zelf en kunnen via andere bestuursrechtelijke maatregelen worden aangepakt.

Gezien deze overwegingen zag de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de vergunning voor de champignonkwekerij is afgewezen.

Uitspraak

200305668/2.
Datum uitspraak: 10 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 juli 2003, kenmerk Wm 022/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouders] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een champignonkwekerij, gelegen aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nummers […], […] en […]. Dit besluit is op 17 juli 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 september 2003.
Bij brief van 22 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 25 augustus 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door mr. M.M. de Vaal, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.A.M. Coppens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts zijn vergunninghouders daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoeker vreest voor geluidhinder en stankhinder ten gevolge van het in werking zijn van de champignonkwekerij, onder meer vanwege de afstand van de inrichting tot zijn woning. Verder is zijns inziens de capaciteit van de bezinkinrichting en de gemeentelijke riolering onvoldoende om het bedrijfsafvalwater te kunnen verwerken, aangezien er volgens hem meer bedrijfsafvalwater zal worden geloosd dan door vergunninghoudster is aangevraagd. Verzoeker vreest voor overlast door overstromingen.
2.2.1. Wat betreft de geluid- en stankhinder overweegt de Voorzitter als volgt.
Gelet op de in hoofdstuk 6 van de vergunning opgenomen geluidvoorschriften en mede in aanmerking genomen de aard van de inrichting en de afstand ervan tot de woning van verzoeker, is de Voorzitter vooralsnog van oordeel dat voor onaanvaardbare geluid- en stankhinder niet behoeft te worden gevreesd.
2.2.2. Wat betreft de capaciteit van de bezinkinstallatie en de gemeentelijke riolering overweegt de Voorzitter als volgt.
Aangevraagd en vergund is een bezinkinstallatie met een capaciteit van 12 m3. Vooralsnog is niet gebleken dat deze capaciteit, bezien in samenhang met de capaciteit van de gemeentelijke riolering, onvoldoende is.
Voorzover verzoeker vreest dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, merkt de Voorzitter op dat dit bezwaar geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.
2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Melse
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2003
191-353.