200302294/1.
Datum uitspraak: 15 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 3 maart 2003 in het geding tussen:
het dagelijke bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van de gemeente Rotterdam.
Bij besluit van 14 maart 2002 heeft het dagelijke bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek van de gemeente Rotterdam (hierna: het dagelijks bestuur) aan [partij] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een aan de zijgevel van de bestaande woning gesitueerde aanbouw met kap in één bouwlaag en een in het achterdakvlak daarvan geplaatste dakkapel op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2003, verzonden op 7 maart 2003, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. drs. R. van Gelder, advocaat te Voorschoten, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M.A.C. Kooij, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het ten tijde van de beslissing op bezwaar ter plaatse als bestemmingsplan geldende “Uitbreidingsplan in onderdelen Hillegersberg ten noorden van de Bergse Voorplas”. Ten einde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft het college voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend. Het heeft daarbij overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met het voor het gebied waarin het perceel is gelegen opgestelde ontwerp van het bestemmingsplan “Molenlaankwartier”. Dat bestemmingsplan is bij besluit van 5 september 2002 vastgesteld door de gemeenteraad van Rotterdam. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij besluit van 15 april 2003 beslist omtrent de goedkeuring van dat plan en goedkeuring gehecht aan de daarin aan het perceel toegekende bestemmingen “Woningen laagbouw” en “Tuin”. Niet in geschil is dat tegen het goedkeuringsbesluit, voorzover het deze bestemmingen betreft, geen rechtsmiddelen zijn aangewend en het bestemmingsplan in zoverre in werking is getreden. Dit brengt mee dat geen belang meer bestaat bij de beoordeling van de aan de vrijstelling ten grondslag gelegde belangenafweging. Thans zou voor het bouwplan immers zonder dat vrijstelling is vereist, ingevolge artikel 44 van de Woningwet bouwvergunning moeten worden verleend, indien het bouwplan niet met het bestemmingsplan “Molenlaankwartier” in strijd is. De op genoemde belangenafweging betrekking hebbende beroepsgronden moeten dan ook buiten beschouwing blijven.
2.2. Ter beoordeling staat slechts of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan met het bestemmingsplan “Molenlaankwartier” in overeenstemming is. Appellant betoogt in dat verband tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 19, derde lid, onder c5, van de voorschriften van dat plan. Daarin is bepaald dat de maximum toegestane bouwhoogte van een aanbouw de hoogte van het vloerniveau + 15 cm van de eerste verdieping van het hoofdgebouw niet mag overschrijden en dat daarvan mag worden afgeweken ten behoeve van een kap/schuindakvlak indien het hoofdgebouw is afgedekt met een kap, in welk geval de hellingshoek van de kap/dakvlak van de aanbouw gelijk dient te zijn aan die van de kap op het hoofdgebouw. Nu de schuine dakvlakken van de aanbouw dezelfde hellingshoek hebben als de daarmee corresponderende dakvlakken van het hoofdgebouw, is aan deze voorwaarde voldaan. In dit artikel kan, anders dan appellant stelt, niet worden gelezen dat de kap op de aanbouw in alle opzichten dezelfde vorm moet hebben als die van de op het hoofdgebouw geplaatste kap. Met dit voorschrift is slechts beoogd de hoogte van een op een aanbouw te plaatsen kap te maximeren.
2.3. Voorzover appellant nog heeft betoogd dat de aanbouw niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, faalt dat betoog evenzeer. Nu appellant geen andersluidend deskundigenadvies heeft overgelegd mocht het college uitgaan van het voor het bouwplan door de commissie voor Welstand en Monumenten Rotterdam uitgebrachte positieve welstandsadvies van 31 oktober 2001.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Lodder
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003