ECLI:NL:RVS:2003:AM2380

Raad van State

Datum uitspraak
15 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306348/1 en 200306348/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • M.Z.C. Koutstaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 APV AmsterdamArt. 3.1 APV AmsterdamArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking exploitatievergunning coffeeshop wegens overtreding gedoogcriteria

De burgemeester van Amsterdam heeft op 4 april 2003 de exploitatievergunning van de coffeeshop van appellant ingetrokken en deze van de lijst van gedoogde inrichtingen geschrapt vanwege overtreding van de gedoogcriteria. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, dat door de voorzieningenrechter ongegrond werd verklaard.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. De Raad oordeelde dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat de burgemeester terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 3.2, achtste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (APV) Amsterdam.

De Raad bevestigde het gemeentelijke beleid waarbij coffeeshops die de AHOJ-G criteria, waaronder de maximale handelsvoorraad van 500 gram softdrugs, overtreden, worden aangepakt. Het betoog van appellant dat de bepalingen geen relatie hebben met de openbare orde werd verworpen. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het beleid rechtvaardigden.

De Voorzitter wees het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de exploitatievergunning van de coffeeshop wordt bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

200306348/1 en 200306348/2.
Datum uitspraak: 15 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 22 augustus 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de burgemeester van Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2003 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) de coffeeshop van appellant geschrapt van de lijst van inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd, onder gelijktijdige intrekking van de exploitatievergunning.
Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Voorts heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. dr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. B. Akciger, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Ingevolge artikel 3.2, achtste lid, aanhef en onder b, van de Algemene plaatselijke verordening te Amsterdam (hierna: APV), voorzover thans van belang, kan de burgemeester de voor exploitatie van een horecabedrijf benodigde vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als aannemelijk is dat de houder of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar voor de openbare orde opleveren en/of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf.
Ingevolge artikel 3.1, onder a, van de APV wordt onder horecabedrijven onder meer verstaan coffeeshops.
2.3. Ingevolge het gemeentelijk coffeeshopbeleid kan aan alcoholvrije horecabedrijven een exploitatievergunning worden verleend, waarbij onder voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt gedoogd. Tot de gedoogvoorwaarden behoort onder meer dat bij de exploitatie van de inrichting de Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de Opiumwet (de zogenoemde AHOJ-G criteria) in acht dienen te worden genomen. Op grond van deze criteria is de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops vastgesteld op 500 gram.
2.4. De burgemeester voert het beleid dat hij in geval van exploitatie in strijd met de gedoogrichtlijnen gebruik maakt van de hem in artikel 3.2, achtste lid, van de APV toegekende bevoegdheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 oktober 2000 in zaak no. 199902931/1; ter voorlichting van partijen aangehecht) is dit beleid niet kennelijk onredelijk, evenmin als het beleid (het stappenplan) dat de burgemeester toepast bij invulling van deze bevoegdheid, zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak. In de genoemde uitspraak heeft de Afdeling voorts overwogen dat het - ook door appellant gevoerde - betoog, dat op basis van de genoemde bepaling in de APV geen bestuurlijke maatregel als thans in geding kan worden getroffen, niet kan worden gevolgd. De Voorzitter ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Het betoog van appellant dat de bepalingen inzake de maximaal toegestane handelsvoorraad geen relatie hebben met de openbare orde treft geen doel, reeds omdat deze zijn opgenomen in de hiervoor genoemde Richtlijnen.
2.5. Ook voor het overige is de voorzieningenrechter op goede gronden, die door de Voorzitter worden overgenomen, terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester in dit geval van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 3.2, achtste lid, aanhef en onder b, van de APV gebruik heeft mogen maken en dit op juiste wijze heeft gedaan. Niet is gebleken van bijzondere, niet in het beleid voorziene omstandigheden aan de zijde van appellant die de burgemeester noopten in afwijking van zijn beleid te beslissen. Gelet hierop bestaat ook geen grond om de opgelegde maatregel onevenredig zwaar te achten in verhouding tot de ernst van de geconstateerde overtreding. De voorzieningenrechter heeft het beroep derhalve terecht ongegrond verklaard.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop, bestaat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Koutstaal
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2003
383.