ECLI:NL:RVS:2003:AM2457
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- H. Beekhuis
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning voor fokzeugenhouderij wegens bijzondere gevoeligheid pluimveebedrijf
Bij besluit van 25 maart 2003 verleende het college van burgemeester en wethouders van Duiven een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een fokzeugenhouderij en akkerbouwbedrijf op een perceel te Duiven. Appellante, exploitant van een pluimveebedrijf met grootmoederdieren, stelde dat de vergunning moest worden geweigerd vanwege besmettingsgevaar voor haar dieren, onder meer door onvoldoende afstand tussen bedrijven en onoverdekte spoelplaatsen.
De Raad van State overwoog dat de Wet milieubeheer voorschrijft dat een vergunning slechts kan worden geweigerd indien nadelige milieugevolgen niet kunnen worden voorkomen of voldoende beperkt door voorschriften. De vermeende besmettingsrisico’s bleken voort te vloeien uit de bijzondere gevoeligheid van het pluimveebedrijf, welke bij de milieubeoordeling niet in aanmerking worden genomen.
Daarnaast stelde de Raad dat de regelgeving betreffende dierengezondheid primair het besmettingsgevaar regelt en dat het contractrisico met afnemers niet relevant is voor de milieubeoordeling. Ook een beroepsgrond over de naleving van voorschriften betreffende de spoelplaats werd niet aanvaard, omdat dit geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de vergunning.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor de fokzeugenhouderij wordt ongegrond verklaard.