ECLI:NL:RVS:2003:AM5374

Raad van State

Datum uitspraak
21 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305699/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8.11 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing vergunning opslag gevaarlijke stoffen

Op 15 juli 2003 verleende het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude een vergunning aan verzoekster voor het oprichten en in werking hebben van een opslagruimte voor grondstoffen voor kunststofvloeren, een mengruimte en een kantoor op een perceel te Rijnwoude. Verzoekster stelde dat het besluit niet voldeed aan artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer, omdat de vergunning niet duidelijk was over de opslag van gevaarlijke stoffen volgens de CPR 15-1 richtlijn.

Verzoekster stelde dat de aangevraagde opslag afweek van de CPR 15-1 en dat ingrijpende maatregelen nodig zouden zijn om aan deze richtlijn te voldoen, waardoor de grondslag van de aanvraag zou worden verlaten. Tijdens de zitting verklaarde verweerder dat de inrichting niet in werking zou worden gesteld voordat de bodemprocedure was afgerond.

De Voorzitter besloot daarom het bestreden besluit, voor zover het hoofdstuk 10 van de vergunning betreft, bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Tevens werd de behandeling van het beroep bespoedigd. Het overige betoog van verzoekster gaf geen aanleiding tot verdere voorlopige voorzieningen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 644,00 en tot vergoeding van het griffierecht van € 232,00 aan verzoekster.

Uitkomst: Het besluit tot vergunning is geschorst voor het hoofdstuk opslag gevaarlijke stoffen en de gemeente Rijnwoude is veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

200305699/2.
Datum uitspraak: 21 oktober 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2003 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een opslagruimte voor grondstoffen voor kunststofvloeren, een mengruimte alsmede een kantoor op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Rijnwoude, sectie [..], nummers […] en […]. Dit besluit is op 30 juli 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 25 augustus 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 september 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.M.P. Cappelle, ing. B. Loos en A.J.M. van der Loo, gemachtigden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekster heeft in de eerste plaats betoogd dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarin, voorzover hier van belang, is bepaald dat in een vergunning duidelijk wordt aangegeven waarop zij betrekking heeft. In dit verband stelt zij onder meer dat ingevolge de voorschriften in hoofdstuk 10 van de vergunning gevaarlijke stoffen dienen te worden opgeslagen overeenkomstig de richtlijn CPR 15-1 “Opslag gevaarlijke stoffen in emballage” (hierna: de CPR 15-1), maar dat in de bij de aanvraag ingediende stukken, die ingevolge het dictum van het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, een opslag van gevaarlijke stoffen is aangevraagd die van de CPR 15-1 afwijkt. Om de inrichting overeenkomstig de CPR 15-1 in werking te hebben, dienen bovendien, volgens verzoekster, zodanig ingrijpende maatregelen te worden getroffen, dat de grondslag van de aanvraag wordt verlaten.
2.3. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat met het in werking zijn van de inrichting overeenkomstig de in hoofdstuk 10 van de vergunning gestelde voorschriften kan worden gewacht totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. De Voorzitter ziet hierin aanleiding om de hierna te noemen voorlopige voorziening te treffen. Het bovenstaande vormt voor de Voorzitter voorts aanleiding om de behandeling van het beroep te bespoedigen. Het betoog van verzoekster dat sprake is van strijd met artikel 8.11, eerste lid, van de Wet milieubeheer en van grondslagverlating, behoeft om die reden geen bespreking meer.
2.4. In wat verzoekster verder heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.5. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude van 15 juli 2003, voorzover het hoofdstuk 10 van de vergunning betreft;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijnwoude in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Rijnwoude te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Rijnwoude aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Heijerman
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003
255-361.