ECLI:NL:RVS:2003:AM5442
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- M.Z.C. Koutstaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit verwijdering borden in strijd met landschapsverordening Noord-Brabant
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft appellante gelast twee borden te verwijderen die in strijd zijn met artikel 2 van Pro de Landschapsverordening Noord-Brabant 1999. Appellante verzette zich hiertegen, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigde dit besluit, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het verbod op het plaatsen van borden buiten de bebouwde kom geldt, tenzij deze op een volgens het bestemmingsplan gerealiseerd bedrijventerrein staan. In dit geval was het perceel agrarisch bestemd en was geen sprake van een bedrijventerrein. Het college had derhalve terecht gehandhaafd.
Verder oordeelde de Raad dat geen concreet zicht op legalisatie bestond en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat het college tegen alle illegale borden optreedt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het verwijderingsbesluit bevestigd.