ECLI:NL:RVS:2003:AM5444
Raad van State
- Hoger beroep
- C. de Gooijer
- E.A. Alkema
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gebiedsplan Kop en Westfriesland niet onrechtmatig ondanks bezwaren verzoekers
Appellant, het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, stelde op 3 juli 2001 het gebiedsplan Kop en Westfriesland vast. Verzoekers stelden beroep in tegen dit besluit wegens vermeende onvoldoende motivering en negatieve gevolgen van de begrenzing als natuurgebied voor hun gronden.
De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 7 augustus 2003 en deed uitspraak op 29 oktober 2003.
De Raad van State oordeelde dat de vaststelling van het gebiedsplan op zichzelf geen wijziging van de bestemming inhoudt en geen directe gevolgen voor het gebruik en beheer van de gronden van verzoekers meebrengt. De door verzoekers aangevoerde negatieve effecten, zoals waardedaling door overwaaien van onkruid en luizendruk, kunnen niet aan het gebiedsplan worden toegerekend.
De Raad stelde vast dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het gebiedsplan onvoldoende was gemotiveerd. De motivering was toereikend en de belangenafweging bij eventuele bestemmingsplanwijzigingen blijft onaangetast. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van verzoekers ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het beroep van verzoekers tegen het gebiedsplan is ongegrond verklaard.