ECLI:NL:RVS:2003:AN7213
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- K. Brink
- P. Plambeck
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen vergunning opslag grond met milieuhinderbezwaren
Op 5 augustus 2003 verleende het college van gedeputeerde staten van Utrecht een vergunning aan de gemeente Utrecht Grond- en Reststoffenbank voor het oprichten en exploiteren van een gronddepot met een overslagcapaciteit van 20.000 ton per jaar. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege geluid-, stof- en geurhinder.
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld. Hij oordeelde dat de vergunning voldoende duidelijkheid biedt over de geluidsvoorschriften en dat de gehanteerde meetpunten en referentieniveaus adequaat zijn vastgesteld volgens de Handreiking industrielawaai. De bezwaren tegen geluidhinder werden daarom afgewezen.
Ten aanzien van stof- en geurhinder constateerde de Voorzitter dat de maatregelen voor schone en licht verontreinigde grond toereikend zijn, maar dat voor categorie 2-grond, grond van onbekende samenstelling en verontreinigde grond onvoldoende duidelijk is dat deze direct na storting worden afgedekt met folie. Ook achtte hij de maatregelen onvoldoende om stof- en geurhinder bij transport en storten te voorkomen. Daarnaast werd geoordeeld dat het voorschrift over roet- en rookloze uitlaatgassen van vrachtwagens niet voldoende waarborgt dat geurhinder door draaiende dieselmotoren wordt beperkt. Daarom werd de vergunning voor deze grondsoorten geschorst en werd bepaald dat vrachtwagenmotoren uitgezet moeten worden indien niet noodzakelijk voor werkzaamheden.
De Voorzitter wees het verzoek voor het overige af, veroordeelde de provincie Utrecht tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en gaf aan de hoofdzaak te willen bespoedigen met een deskundigenbericht.
Uitkomst: De vergunning voor opslag van categorie 2-grond en verontreinigde grond wordt geschorst en beperkingen worden opgelegd aan draaiende vrachtwagenmotoren.