Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2003:AN7901

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302249/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring beroep bestemmingsplanwijziging gemeente Graft-De Rijp

De raad van de gemeente Graft-De Rijp heeft op 15 maart 2001 een voorbereidingsbesluit genomen voor een bestemmingsplanwijziging met betrekking tot agrarische bouwsteden ten noorden van het Noord-Hollands kanaal. Hiertegen maakte appellante bezwaar, dat bij besluit van 28 juni 2001 ongegrond werd verklaard. Appellante stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank te Alkmaar, die dit beroep op 25 februari 2003 ongegrond verklaarde.

Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het voorbereidingsbesluit van 15 maart 2001 op 21 maart 2002 was vervallen omdat binnen een jaar geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage was gelegd, zoals voorgeschreven in artikel 21, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Nieuwe voorbereidingsbesluiten van vergelijkbare strekking die later zijn genomen, verlengen de geldigheidsduur van het eerdere besluit niet.

Daarom had appellante ten tijde van de uitspraak van de rechtbank geen belang meer bij een rechtelijke beoordeling van het besluit van 28 juni 2001. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd het griffierecht van appellante terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 28 juni 2001 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens verval van het voorbereidingsbesluit.

Uitspraak

200302249/1.
Datum uitspraak: 12 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Karnemelkspolder B.V., gevestigd te Wormerveer,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 25 februari 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de raad van de gemeente Graft-De rijp.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2001 heeft de raad van de gemeente Graft-De rijp (hierna: de raad) met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verklaard dat een bestemmingsplan wordt voorbereid voor de delen van het plangebied van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied” met de bestemming “agrarische doeleinden” met de toevoeging “wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwe agrarische bouwstede” die gelegen zijn ten noorden van het Noord-Hollands kanaal en zoals een en ander is aangegeven op de bij dit besluit behorende situatieschets.
Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de raad het daartegen onder meer door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 februari 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen onder meer door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 7 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 juni 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 2 juli 2003 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G. Kramer, advocaat te Alkmaar, en de raad, vertegenwoordigd door N.C.M. Deckwitz, wethouder en M.C. Deinum, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).
Ingevolge het vierde lid vervalt een besluit, als bedoeld in het eerste lid, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.
2.2. Niet in geschil is dat binnen de periode van een jaar na 21 maart 2001, de datum waarop het voorbereidingsbesluit in werking is getreden, geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Dat brengt mee dat het besluit op 21 maart 2002 is vervallen. Dat de raad op 16 mei 2002 respectievelijk 15 mei 2003 nieuwe voorbereidingsbesluiten van dezelfde strekking heeft genomen, kan daaraan niet afdoen. Laatstgenoemde besluiten houden niet in dat de geldigheidsduur van het eerder genomen voorbereidingsbesluit is verlengd, doch dat – opnieuw – toepassing is gegeven aan meergenoemd artikel 21, eerste lid. Het vorenstaande leidt ertoe dat appellante ten tijde van de uitspraak van de rechtbank geen belang meer had bij een rechtelijke beoordeling van het besluit van 28 juni 2001.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante tegen het besluit van 28 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het griffierecht dient door de Secretaris van de Raad van State aan appellante te worden terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 25 februari 2003, in zaak nr. WRO 01/1265;
III. verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk;
IV. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 348,00 terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Van Roosmalen
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2003
53-406.