ECLI:NL:RVS:2003:AN7969
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- K. Brink
- L.J. Können
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen bevel sanering bodemverontreiniging in Brunssum
Het college van gedeputeerde staten van Limburg heeft op 29 juli 2003 een besluit genomen op grond van artikel 44 van Pro de Wet bodembescherming, waarbij het college van burgemeester en wethouders van Brunssum werd bevolen de sanering van bodemverontreiniging in bepaalde gebieden alsnog conform een saneringsplan uit 1996 uit te voeren binnen een jaar na inwerkingtreding van het besluit.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde het verzoek op 20 oktober 2003, waarbij partijen werden gehoord.
De Voorzitter oordeelde dat het geschil over de uitvoering van het saneringsplan niet in deze voorlopige voorziening kon worden beslecht en dat het bevel gericht moet zijn aan degene die de bodem saneert, wat verzoeker naar voorlopig oordeel is. De motivering van het besluit werd als innerlijk tegenstrijdig beoordeeld, omdat verweerder ook had erkend dat een minder vergaande sanering mogelijk is.
Verder werd overwogen dat de termijn in het besluit niet strijdig is met het recht, maar dat twijfel bestaat of de sanering binnen die termijn uitvoerbaar is. Gezien het ontbreken van acute risico's voor de volksgezondheid en het feit dat het bezwaar binnenkort wordt behandeld, werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bevel tot aanvullende sanering wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar en de provincie Limburg wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.