ECLI:NL:RVS:2003:AN7970
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- K. Brink
- L.J. Können
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gedoogbevel bodemsanering
Verzoeker maakte bezwaar tegen een gedoogbevel opgelegd door gedeputeerde staten van Noord-Holland op grond van de Wet bodembescherming, waarbij hij moest toestaan dat saneringswerkzaamheden op zijn perceel werden uitgevoerd.
De Voorzitter stelde vast dat het bevel terecht was opgelegd krachtens artikel 49, eerste lid, in samenhang met artikel 30, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet bodembescherming, zonder dat sprake hoefde te zijn van een ongewoon voorval. De noodzaak van de sanering was reeds vastgesteld in een eerder besluit.
Verzoeker voerde aan dat het bevel niet in redelijkheid voor de volledige looptijd van het saneringsproject kon worden opgelegd en dat de einddatum onzeker was. Verweerder gaf aan dat vertragingen mogelijk waren en koos ervoor geen concrete data te noemen, maar het bevel te koppelen aan de afronding van het gehele project.
De Voorzitter oordeelde dat het bevel redelijk en concreet genoeg was geformuleerd en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het gedoogbevel voor bodemsanering wordt afgewezen.