ECLI:NL:RVS:2003:AN8385

Raad van State

Datum uitspraak
13 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306811/1 en 200306811/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Troostwijk
  • M.Z.C. Koutstaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake verwijderingsbevel vaartuig in Houthavens Amsterdam

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van Amsterdam heeft appellanten bij besluit van 14 augustus 2002 gelast hun vaartuig uit de Houthavens te verwijderen en verwijderd te houden, onder dreiging van bestuursdwang. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 3 juni 2003 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellanten beroep in bij de voorzieningenrechter, die op 3 oktober 2003 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State en verzochten tevens om een voorlopige voorziening. De zaak werd behandeld op 23 oktober 2003, waarbij beide partijen werden gehoord. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en dat de voorzieningenrechter op goede gronden had beslist.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee blijft het verwijderingsbevel van kracht en is het vaartuig verplicht verwijderd te worden uit de Houthavens.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waarmee het verwijderingsbevel blijft gelden.

Uitspraak

200306811/1 en 200306811/2.
Datum uitspraak: 13 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 3 oktober 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 augustus 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten op straffe van bestuursdwang gelast het vaartuig “[naam]" uit de Houthavens van het stadsdeel Westerpark te verwijderen en verwijderd te houden.
Bij besluit van 3 juni 2003 heeft het dagelijks bestuur het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 14 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 oktober 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Voorts hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. De voorzieningenrechter is op goede gronden tot een juiste beslissing gekomen. Appellanten hebben in hoger beroep geen grieven aangevoerd die een ander licht op de zaak werpen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.Z.C. Koutstaal, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Koutstaal
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2003
383.