ECLI:NL:RVS:2003:AN8387

Raad van State

Datum uitspraak
11 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306783/2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • I.A. Molenaar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last bestuursdwang agrarisch perceel

Het college van burgemeester en wethouders van Bergh heeft verzoeker bij besluit van 8 januari 2003 gelast om binnen drie maanden het strijdige gebruik van een agrarisch perceel te beëindigen, waarbij een siertuin met opstallen verwijderd moest worden en de agrarische bestemming hersteld. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit.

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen verklaarde het beroep gegrond en herformuleerde de last, waarbij de uitspraak in de plaats trad van het eerdere besluit. Verzoeker vroeg vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening tegen deze uitspraak.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde het verzoek ter zitting op 30 oktober 2003. Gezien het feit dat het besluit reeds door de rechter in eerste aanleg was getoetst en de last onder herformulering in stand was gebleven, zag de Voorzitter geen aanleiding om aan te nemen dat de uitspraak in de bodemprocedure niet zou standhouden.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 11 november 2003 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last bestuursdwang is afgewezen.

Uitspraak

200306783/2.
Datum uitspraak: 11 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen van 25 september 2003 in het geding tussen:
verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergh.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergh (hierna: het college) verzoeker op straffe van bestuursdwang gelast om binnen drie maanden het strijdige gebruik van het agrarische perceel, kadastraal bekend gemeente Bergh, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] (hierna: het perceel) beëindigd te (doen) hebben, feitelijk inhoudende dat de door verzoeker aangelegde siertuin met opstallen ter plaatse dient te zijn verwijderd en de geldende agrarische bestemming dient te zijn hersteld.
Bij besluit van 18 juni 2003 heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, doch de begunstigingstermijn gesteld op vier weken na verzending van dat besluit.
Bij uitspraak van 25 september 2003, verzonden op die dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voorzover het de formulering van de last betreft, de last geherformuleerd op de in de uitspraak vermelde wijze en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 juni 2003.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2003, hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 oktober 2003, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. L. Hartogs, advocaat te Doetinchem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Peters, H.A.A.M. Janssens en J.W.M. Theunissen, allen ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij] gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer, indien zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en de aanschrijving, zij het onder herformulering van de aan verzoeker opgelegde last, in stand heeft gelaten.
2.2. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, valt geen aanleiding te vinden om op voorhand aan te nemen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat geconcludeerd zal worden dat verzoeker geen last mocht worden opgelegd, als daarbij is gebeurd.
2.3. Onder deze omstandigheden bestaat, gelet op de betrokken belangen, aanleiding het verzoek af te wijzen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Molenaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2003
369.