ECLI:NL:RVS:2003:AN8857

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302375/4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D. Dolman
  • B. Klein Nulent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:87 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige voorziening bouwmogelijkheden agrarisch perceel Ermelo

Bij besluit van 11 juli 2002 stelde de gemeenteraad van Ermelo het bestemmingsplan “Buitengebied Agrarische Enclave” vast. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland keurde dit plan goed op 25 februari 2003. Tegen dit besluit werd beroep ingesteld door onder meer de regionaal inspecteur VROM, regio Oost, die tevens schorsing van het besluit verzocht. Op 7 augustus 2003 werd door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een voorlopige voorziening getroffen waarbij de bouwmogelijkheden op het agrarisch bouwperceel in de natuurrandzone gedeeltelijk werden geschorst.

Verzoeker, het college van burgemeester en wethouders van Ermelo, verzocht op 9 oktober 2003 om gedeeltelijke opheffing van deze voorlopige voorziening. De Voorzitter behandelde dit verzoek op 7 november 2003. Verzoeker stelde dat de schorsing een onoverkomelijk probleem vormde voor een pachtboer die een potstal wilde bouwen op het agrarisch bouwperceel, noodzakelijk voor de verplaatsing van een pachtboerderij.

Uit overleg bleek dat de regionaal inspecteur VROM geen bezwaar had tegen de bouw van de potstal. De Voorzitter oordeelde dat er geen spoedeisende belangen waren die zich tegen opheffing verzetten en besloot de schorsing van de bouwmogelijkheden op het agrarisch bouwperceel in de natuurrandzone op te heffen. Er werden geen proceskosten toegekend en het griffierecht werd niet vergoed.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt gedeeltelijk opgeheven voor de bouwmogelijkheden op het agrarisch bouwperceel in de natuurrandzone.

Uitspraak

200302375/4.
Datum uitspraak: 20 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van:
het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,
verzoeker,
om het opheffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht)
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2002 heeft de gemeenteraad van Ermelo het bestemmingsplan “Buitengebied Agrarische Enclave” vastgesteld.
Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft bij zijn besluit van 25 februari 2003, nr. RE2002.77656, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft onder meer de regionaal inspecteur VROM, regio Oost beroep ingesteld. Hij heeft tevens verzocht om gedeeltelijke schorsing van het bestreden besluit.
Bij uitspraak van 7 augustus 2003, no. 200302375/2, heeft de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak het verzoek toegewezen en eerder genoemd besluit bij wijze van voorlopige voorziening gedeeltelijk geschorst.
Bij brief van 9 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op
10 oktober 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht deze voorlopige voorziening gedeeltelijk op te heffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 november 2003, waar verzoeker, vertegenwoordigd door ing. E.J. Bilder, wethouder van de gemeente en J.P. Zwijnenburg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is daar gehoord het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem.
De regionaal inspecteur VROM, regio Oost is met bericht van afwezigheid, niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan heeft betrekking op het deel van het Ermelose buitengebied dat in de zogenoemde Agrarische Enclave binnen het Centraal Veluws Natuurgebied ligt. De doelstelling van het plan is het vinden van een nieuw evenwicht tussen het gebruik van gronden voor landbouw en natuur.
2.3. In zijn uitspraak van 7 augustus 2003, no. 200302375/2, heeft de Voorzitter onder meer het volgende overwogen:
”Voorzover het verzoek zich richt op de omvang van bestaande agrarische bouwpercelen in de natuurrandzone en de aldus bij recht toegestane bouwmogelijkheden overweegt de Voorzitter dat het verzoek in zoverre noopt tot nader feitenonderzoek, waarvoor deze procedure zich minder goed leent. In afwachting van de behandeling in de bodemprocedure acht de Voorzitter het niet wenselijk dat in het plangebied in zoverre onomkeerbare ontwikkelingen zullen plaatsvinden.”
2.4. Verzoeker heeft aangevoerd dat de schorsing van het bestreden besluit, voor zover dit betreft de bij recht toegestane bouwmogelijkheden op het agrarische bouwperceel [locatie 1], een onoverkomelijk probleem oplevert voor pachtboer [partij]. Deze wil een gedeelte van de pachtboerderij van de stichting “Het Geldersch Landschap” verplaatsen van de [locatie 2] naar de [locatie 1]. Ten behoeve van deze verplaatsing is de bouw van een potstal noodzakelijk. Voornoemde schorsing vormt een beletsel voor het afgeven van een bouwvergunning.
Uit nader overleg tussen [partij], de stichting “Het Geldersch Landschap” en de regionaal inspecteur VROM, regio Oost is echter gebleken dat de regionaal inspecteur geen bezwaar heeft tegen de oprichting van een potstal aan de [locatie 1].
De Voorzitter is verder niet gebleken van spoedeisende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de schorsing van het bestreden besluit in zoverre.
2.5. Gelet op het voorgaande wijst de Voorzitter het verzoek om opheffing van de voorlopige voorziening in zoverre toe.
2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De Voorzitter ziet verder in dit geval geen aanleiding verweerder te gelasten het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
heft op de schorsing van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 25 februari 2003, nr. RE2002.77656, voor zover dit betreft de bij recht toegestane bouwmogelijkheden op het agrarisch bouwperceel [locatie 1] voor zover dit ligt in de natuurrandzone, zoals aangegeven op de bijbehorende gewaarmerkte kaart.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.
w.g. Dolman w.g. Klein Nulent
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2003
218-427.