AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen dwangsom bouwwerkzaamheden
Het college van burgemeester en wethouders van Deventer legde appellant een dwangsom op wegens het niet staken van bouwwerkzaamheden op een perceel. Appellant diende een brief in die de rechtbank onterecht niet als bezwaarschrift tegen het dwangsom-besluit beschouwde en verklaarde het bezwaar van 4 oktober 2002 niet-ontvankelijk.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de brief van 23 mei 2002 wel degelijk als bezwaarschrift moet worden aangemerkt, ondanks dat deze niet rechtstreeks aan het college was gericht en niet aan alle formele eisen voldeed. De rechtbank heeft hierdoor onjuist geoordeeld.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt het besluit dat gelijkstaat aan het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellant.
De zaak betreft de juiste behandeling van een bezwaar tegen een dwangsom opgelegd door het college, waarbij het belang van een correcte procedure en het recht op bezwaar centraal staan.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het college veroordeeld tot proceskostenvergoeding en griffierechtteruggave.
Uitspraak
200304270/1.
Datum uitspraak: 3 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 26 juni 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer (hierna: het college) appellant een dwangsom opgelegd omdat hij geen gevolg heeft gegeven aan de last de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] te staken en gestaakt te houden.
Bij brief van 23 mei 2002 heeft appellant een reactie op onder meer dit besluit gegeven.
Bij brief van 4 oktober 2002 heeft appellant het college verzocht alsnog een beslissing te nemen op zijn bezwaarschrift van 23 mei 2002.
Bij brief van 17 december 2002 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet nemen van een beslissing op zijn bezwaar van 23 mei 2002.
Bij uitspraak van 26 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het beroep dat is ingesteld tegen het niet tijdig door het college nemen van een beslissing op het bezwaar van 4 oktober 2002 gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing vernietigd, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en het bezwaar van 4 oktober 2002 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 27 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 2 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 10 oktober 2003 heeft appellant nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2003. Partijen zijn niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn brief van 23 mei 2002 is aan te merken als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 2 mei 2002.
Dit betoog slaagt. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de bewoordingen van deze brief kan worden afgeleid dat appellant beoogd heeft bezwaar te maken tegen de inhoud van dat besluit. Dat de brief ook is gericht tegen andere van het college afkomstige brieven, kan daar niet aan afdoen. Voorts kan het standpunt van het college dat de brief niet voldoet aan in artikel 6:5 vanPro de Algemene wet bestuursrecht neergelegde eisen, niet tot een ander oordeel leiden, nu het in dat geval ingevolge artikel 6:6 vanPro die wet appellant de gelegenheid had behoren te bieden dat verzuim te herstellen. De omstandigheid dat de brief niet aan het college was gericht maar aan het hoofd van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, kan evenmin het karakter van een bezwaarschrift aan de brief ontnemen.
2.2. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat het college terecht de brief van 23 mei 2002 niet als bezwaarschrift in behandeling heeft genomen en heeft zij evenzeer ten onrechte de brief van appellant van 4 oktober 2002 als bezwaarschrift tegen het besluit van 2 mei 2002 aangemerkt.
2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
2.4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet nemen van een beslissing op het bezwaar van 23 mei 2002 alsnog gegrond verklaren en dat fictieve besluit vernietigen.
2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 26 juni 2003, AWB 02/1362;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet nemen van een beslissing op het bezwaar;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Deventer te worden betaald aan appellant;
VI. gelast dat de gemeente Deventer aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 175,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.