ECLI:NL:RVS:2003:AN9225

Raad van State

Datum uitspraak
3 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303847/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 19a Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van ongegrondverklaring beroep tegen bouwvergunning voor kuikenstallen

Het college van burgemeester en wethouders van Tilburg verleende op 15 december 1998 een bouwvergunning voor twee kuikenstallen aan een derde belanghebbende. De appellant, de regionaal-inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid, maakte pas op 20 november 2001 bezwaar tegen deze vergunning, nadat hij via een krantenbericht van 8 november 2001 kennis had genomen van de vergunningverlening.

Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde daarmee de niet-ontvankelijkverklaring. Appellant stelde dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was omdat het voor zijn dienst ondoenlijk was om alle publicaties van bouwaanvragen te volgen.

De Raad van State oordeelde dat appellant geen bijzondere behandeling toekomt en dat alle wettelijke voorschriften omtrent bekendmaking van bouwaanvragen en vergunningen zijn nageleefd. De publicatie van de bouwaanvraag voldeed aan de eisen en het niet tijdig indienen van bezwaar kon niet worden verontschuldigd. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200303847/1.
Datum uitspraak: 3 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de regionaal-inspecteur VROM-Inspectie Regio Zuid, te Eindhoven,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 18 april 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 december 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan [derde belanghebbende] te [plaats] vergunning verleend voor het bouwen van twee kuikenstallen aan de [locatie] te [plaats], gemeente Tilburg.
Bij besluit van 10 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 18 april 2003, verzonden op 6 mei 2003, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 17 juli 2003 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 28 juli 2003 heeft [derde belanghebbende] een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.A. Vellekoop en mr. A.M. de Gier, beiden werkzaam bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P.F. Warnier, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Verder is daar gehoord [derde belanghebbende] in persoon, bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Het college heeft het primaire besluit tot verlening van de bouwvergunning aan [derde belanghebbende] bekendgemaakt bij brief van 18 december1998. Daags daarna is de wettelijke termijn van zes weken voor het instellen van bezwaar aangevangen. Nadat appellant door een krantenbericht van 8 november 2001 op de hoogte is geraakt van de vergunningverlening heeft hij daartegen bij brief van 20 november 2001 alsnog bezwaar gemaakt.
2.2. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake was van een verontschuldigbare termijnoverschrijding als waarop voormelde bepaling ziet.
Dat betoog faalt. De door appellant gestelde omstandigheid dat het voor zijn dienst ondoenlijk is om kennis te nemen van alle publicaties van bouwaanvragen en controle van alle verleende bouwvergunningen, betekent niet dat hem niet zou kunnen worden tegengeworpen dat alle voorschriften van de Woningwet inzake de bekendmaking van bouwaanvragen en besluiten tot verlening van een bouwvergunning zijn nagevolgd. Appellant komt geen andere behandeling toe dan andere derdebelanghebbenden bij een besluit tot verlening van bouwvergunning. De rechtbank heeft in dit verband een juiste uitleg gegeven aan r.o. 2.12 in de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2002 in zaak nr. 200201516/1(www.raadvanstate.nl en AB 2003/1).
Er bestaat, anders dan appellant meent, ook geen grond om te oordelen dat de publicatie van de betrokken bouwaanvraag niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, omdat die stond onder het kopje ‘Bouwplannen die afwijken van het bestemmingsplan’. Niet valt in te zien dat appellant hierdoor heeft nagelaten tijdig bezwaar te maken, reeds nu is gebleken dat hij de betrokken publicatie in het geheel niet heeft opgemerkt. Overigens is ook het besluit tot de verlening van de bouwvergunning nog onverplicht gepubliceerd.
Dat, naar appellant meent, de bouwvergunning ten onrechte is verleend zonder dat daaraan voorafgaand de vrijstellingsprocedure van artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is doorlopen, kan geen rol spelen. Aan de vraag of die vrijstellingsprocedure moest worden doorlopen wordt slechts toegekomen wanneer tijdig een rechtsmiddel is ingediend tegen het betrokken besluit. Dat, naar appellant stelt, zijn adviesrol in de vrijstellingsprocedure illusoir wordt, wanneer bouwvergunningen ten onrechte in strijd met het bestemmingsplan worden verleend, maakt niet verontschuldigbaar dat hij geen kennis heeft genomen van de voormelde publicaties.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Haan
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2003
27.