ECLI:NL:RVS:2003:AN9258
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.M.H. Hirsch Ballin
- Ch.W. Mouton
- H. Borstlap
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen last onder dwangsom wegens illegale afvalstofdemping in sloot
Appellant kreeg door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een last onder dwangsom opgelegd wegens het gebruik van niet toegestane afvalstoffen bij het dempen van een sloot op zijn perceel. De dwangsommen betroffen een bedrag per maand dat niet werd voldaan aan de verwijderingslast en per herhaling van overtreding.
Appellant voerde onder meer aan dat het gebruikte materiaal deels was toegestaan en dat de last onder dwangsom onvoldoende duidelijk was geformuleerd, wat zou leiden tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Tevens betwistte hij dat sprake was van overtreding van de ontheffingsvoorschriften en de Wet milieubeheer.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de gebruikte materialen, geleverd door recyclingbedrijven, als afvalstoffen moeten worden aangemerkt omdat sprake was van restproducten met verontreinigingen. Het gebruik van deze materialen in de sloot was een onrechtmatige wijze van zich ontdoen van afvalstoffen in strijd met artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. De last onder dwangsom was voldoende duidelijk en betrof alleen de verwijdering van niet toegelaten afvalstoffen.
Verder was de handhaving proportioneel en in redelijkheid genomen, mede gezien de vastgestelde overtredingen en waarschuwingen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de last onder dwangsom gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens het gebruik van niet toegestane afvalstoffen bij slootdemping wordt ongegrond verklaard.