AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen goedkeuring uitwerkingsplan Zenderpark III West fase 1b
Het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein stelde op 17 december 2002 het uitwerkingsplan Zenderpark III West fase 1b vast, dat onder meer de bouw van woningen mogelijk maakt. Verweerder keurde dit plan goed bij besluit van 4 februari 2003. Appellant stelde beroep in tegen deze goedkeuring, stellende dat de maximale inhoud van 15 m3 voor een zwembad in het plan de bouw van een functioneel zwembad onmogelijk maakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het beroep ontvankelijk was omdat het tijdig was ingediend. De toetsing richtte zich op de vraag of het uitwerkingsplan binnen de regels van het bestemmingsplan en de goede ruimtelijke ordening viel. Verweerder en het college stelden dat een zwembad als ondergeschikt bouwwerk passend is binnen de woonbestemming en dat de maximale inhoudsmaat van 15 m3 passend is gezien het stedelijke karakter en de beperkte tuinoppervlakten.
De Raad van State vond dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen en dat de beperking niet zo streng was dat de aanleg van een zwembad feitelijk onmogelijk werd. Er was geen sprake van strijd met het recht of overschrijding van beoordelingsmarges. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot goedkeuring van het uitwerkingsplan bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de goedkeuring van het uitwerkingsplan is ongegrond verklaard.
Uitspraak
200302316/1.
Datum uitspraak: 3 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2002, heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Zenderpark III West “De Wereldsteden/ De Rivieren” (fase 1b)" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 februari 2003, no. 2003REG000278i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 april 2003, beroep ingesteld.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Een nader stuk van verweerder is ingekomen op 11 juni 2003.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2003, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein, vertegenwoordigd door ing. B. Sondermeijer, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Voorzover het college van burgemeester en wethouders ter zitting de ontvankelijkheid van het beroep van appellant heeft betwist, overweegt de Afdeling als volgt.
Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) wordt het besluit van het college van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van een uitwerkingsplan door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt door de terinzagelegging daarvan met het uitwerkingsplan en het desbetreffende bestemmingsplan. Ingevolge artikel 56a, aanhef en onder a, van de WRO vangt de beroepstermijn aan met ingang van de terinzagelegging van het besluit omtrent goedkeuring overeenkomstig artikel 11, vijfde lid, van de WRO.
Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Het besluit van verweerder van 4 februari 2003 is ter inzage gelegd op 27 februari 2003, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 56a, aanhef en onder a, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, is begonnen op 27 februari 2003 en geëindigd op 9 april 2003.
Het beroepschrift is blijkens het poststempel op 9 april 2003 verzonden en is op 10 april 2003, derhalve niet later dan een week na het einde van de beroepstermijn, ontvangen. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 vanPro de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.3. Het plan vormt een uitwerking, als bedoeld in artikel 11 vanPro de WRO, van artikel 8, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Zenderpark” (hierna: het bestemmingsplan).
Het plan beoogt onder meer de bouw van een aantal woningen mogelijk te maken.
2.4. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 4, zesde lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan, voorzover daarin is bepaald dat de inhoud van een zwembad niet meer dan 15 m3 mag bedragen.
Hij stelt dat gelet op deze maximale inhoud het plan de bouw van een zwembad onmogelijk maakt, althans dat in een dergelijk bad niet kan worden gezwommen. Volgens appellant strookt dit niet met het standpunt van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) dat een zwembad in een tuin dient te worden toegestaan.
2.5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan de bouw van een bad dat als zwembad is aan te merken niet onmogelijk maakt. Het college is van mening dat een zwembad in beginsel kan worden aangemerkt als passend binnen een woonbestemming.
Om te waarborgen dat het zwembad een ondergeschikt bouwwerk betreft heeft het college een maximale inhoudsmaat voor dit soort bouwwerken opgenomen. Gelet op de aard en ligging van de woonwijk is het volgens het college niet wenselijk grotere zwembaden in de tuinen toe te staan.
2.6. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.
2.7. Niet in geschil is dat het uitwerkingsplan past binnen de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels. Voorzover appellant heeft aangevoerd dat verweerder het uitwerkingsplan niettemin in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten, overweegt de Afdeling als volgt.
In artikel 4, zesde lid, van de voorschriften van het uitwerkingsplan is, voorzover hier van belang, bepaald dat de inhoud van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet meer dan 15 m3 mag bedragen.
De inhoud van een als bouwwerk geen gebouw zijnde, aan te merken zwembad mag derhalve maximaal 15 m3 bedragen.
Verweerder heeft zich met het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat naar de hedendaagse maatstaven een zwembad kan worden geacht ten dienste te staan aan een woonfunctie en dat een zwembad derhalve in beginsel vanuit planologisch oogpunt passend is in een tuin, mits het zwembad een ondergeschikt karakter heeft.
Blijkens de stukken heeft de woonwijk, waarin de woning van appellant staat een stedelijk karakter en bestaat deze grotendeels uit een aantal blokken aaneengesloten eengezinswoningen. Niet in geschil is dat een groot aantal tuinen bij de woningen een oppervlakte heeft van 50 m2. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een zwembad met een grotere maximale inhoud dan 15 m3 niet passend is en afbreuk kan doen aan het ondergeschikte karakter van een zwembad.
Voorts is niet aannemelijk dat een inhoud van 15 m3 zo gering is dat de aanleg van een als zwembad aan te merken bad feitelijk onmogelijk wordt.
Gezien het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het uitwerkingsplan.
Het beroep is ongegrond.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.