ECLI:NL:RVS:2003:AN9288

Raad van State

Datum uitspraak
27 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305714/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R. Cleton
  • H.E. Troost
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet geluidhinder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Rijksweg 35-36 Almelo

Bij besluit van 6 maart 2003 heeft de gemeenteraad van Almelo het bestemmingsplan 'Rijksweg 35-36' vastgesteld, dat voorziet in de aanleg van de Rijkswegen 35 en 36 op het grondgebied van Almelo. Verzoekster, woonachtig in de wijk Windmolenbroek, maakte bezwaar tegen dit plan en stelde dat de milieu-effectrapportage (m.e.r.) onvolledig en onjuist was, met name omdat de gekozen variant WA3 meer geluidsoverlast zou veroorzaken dan variant WA1 en dat er geen onderzoek was gedaan naar een onderdoorgang onder het Twentekanaal. Tevens stelde zij dat de brug de landschappelijke waarde van het kanaal aantast.

Verweerder stelde dat de m.e.r. alle relevante milieuaspecten bevatte en dat de gekozen variant WA3 binnen de wettelijke geluidsnormen blijft. Daarnaast werd betoogd dat een aquaduct of tunnel vanwege de hoge kosten geen redelijk alternatief vormde en dat de belangen van verkeersdoorstroming en veiligheid meegewogen waren. De Voorzitter oordeelde dat er geen aanwijzingen waren voor onvolledigheid of onjuistheid van de m.e.r. en dat de belangenafweging door verweerder redelijk was. Ook vond hij dat de landschappelijke aantasting minder zwaar kon wegen dan het belang van de aanleg van de weg.

Op grond hiervan wees de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 27 november 2003 door mr. R. Cleton, Voorzitter, in aanwezigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan Rijksweg 35-36 wordt afgewezen.

Uitspraak

200305714/2.
Datum uitspraak: 27 november 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 maart 2003 heeft de gemeenteraad van de gemeente Almelo het bestemmingsplan "Rijksweg 35-36" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 15 juli 2003, kenmerk RWB/2003/869, beslist over de goedkeuring van dit plan.
Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 10 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 15 september 2003, beroep ingesteld.
Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 oktober 2003, waar verzoekster, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door
T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn de gemeenteraad van Almelo, vertegenwoordigd door D. Betlehem, ambtenaar van de gemeente, en de Minister van Verkeer en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het plan voorziet in de aanleg van de Rijkswegen 35 en 36 voor zover gelegen op het grondgebied van de gemeente Almelo. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.
2.3. Verzoekster, die woont in de wijk Windmolenbroek, voert aan dat het plan ten onrechte is gebaseerd op een onvolledige en onjuiste milieu-effectrapportage (hierna: m.e.r.). Op basis van deze m.e.r. is volgens haar ten onrechte gekozen voor variant WA3 met betrekking tot het deeltraject van Rijksweg 35. Verzoekster stelt dat deze variant tot meer geluidsoverlast leidt voor de woningen aan de bestaande weg, de N 35, en de woningen in de wijk Windmolenbroek. Zij betoogt dat variant WA1 gekozen had moeten worden omdat deze variant in totaal minder geluidsoverlast oplevert. Voort is zij van mening dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de aanleg van een onderdoorgang onder het Twentekanaal en dat de in het plan voorziene brug de landschappelijke waarde van het kanaal aantast.
2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de m.e.r. alle relevante en actuele milieu-aspecten zijn betrokken. Het gekozen deeltraject zal weliswaar leiden tot geluidshinder voor de woningen in de wijk Windmolenbroek, maar deze hinder zal onder de wettelijk toegestane geluidsnorm van 50 dB(A) blijven. Bij de keuze van dit traject is niet alleen de geluidsoverlast meegewogen, maar zijn ook de belangen van een goede verkeersdoorstroming en van de verkeersveiligheid betrokken. Verweerder is van mening dat de aanleg van een aquaduct of tunnel vanwege de hoge kosten geen redelijk alternatief was en om deze reden terecht buiten beschouwing is gelaten in de m.e.r.. Tot slot wijst hij op het belang van een voortvarende begin van de aanleg van de Rijksweg 35 voor de regio.
2.5. Ten aanzien van het bezwaar tegen de keuze voor het deeltraject WA3 op grond van de m.e.r. overweegt de Voorzitter dat niet is gebleken van onvolledigheid of onjuistheid van deze m.e.r.. Gelet op hetgeen door verweerder naar voren is gebracht omtrent de belangenafweging bij de keuze voor het deeltraject, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de keuze voor variant WA3 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Verzoekster heeft naar het oordeel van de Voorzitter niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van een brug over het Twentekanaal zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder, nu voldaan zal worden aan de eisen van de Wet geluidhinder. De Voorzitter is voorts van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door verzoekster gewenste aanleg van een aquaduct of tunnel, gelet op de aanzienlijke meerkosten, geen alternatief is dat redelijkerwijs in de m.e.r. betrokken had moeten worden. Ten aanzien van de door verzoekster gestelde aantasting van de landschappelijke waarde van het Twentekanaal, is de Voorzitter van oordeel dat verweerder de aantasting van het landschap in redelijkheid minder zwaar heeft kunnen laten wegen dan het belang van de aanleg van de weg.
2.6. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek dient te worden afgewezen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.
w.g. Cleton w.g. Troost
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2003
234-377.