Art. 28 lid 2 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 10:27 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit goedkeuring bestemmingsplan Hulshorst wegens strijd met zorgvuldigheid
De gemeenteraad van Nunspeet stelde op 17 oktober 2002 het bestemmingsplan 'Partiële Herziening Bestemmingsplan Hulshorst 1986' vast, waarin onder meer twee recreatiewoningen werden bestemd. Gedeputeerde staten van Gelderland onthielden op 27 mei 2003 de goedkeuring van dit plan. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit, stellende dat de bestaande bebouwing ruimtelijk onderbouwd was en dat het gemeentebestuur niet tegen de situatie optrad.
Verweerder voerde aan dat het plan onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en dat het plangebied in landelijk gebied lag. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde echter vast dat het plangebied geheel binnen een woonfunctie-aanduiding viel volgens de streekplankaart. Verweerder was hieraan onterecht voorbijgegaan.
De Afdeling oordeelde dat verweerder het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel had genomen en vernietigde het besluit. De overige bezwaren behoefden geen bespreking meer. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend, behalve het griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het besluit van gedeputeerde staten dat de goedkeuring van het bestemmingsplan onthield, wordt vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Uitspraak
200303952/1.
Datum uitspraak: 10 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2002 heeft de gemeenteraad van Nunspeet, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9 oktober 2002, het bestemmingsplan "Partiële Herziening Bestemmingsplan "Hulshorst 1986" (omgeving [locatie sub 1] + [locatie sub 2])" vastgesteld.
Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 mei 2003, kenmerk RE2002.107344, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 2 september 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2003, waar appellanten in persoon en bijgestaan door mr. L. Bolier, gemachtigde,
en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Meulepas, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar namens de gemeenteraad R. Jager, ambtenaar van de gemeente, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 vanPro de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hen toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.2. Het plan, voor zover hier van belang, voorziet in de bestemming “Wonen” ten behoeve van twee recreatiewoningen aan de [locatie sub 3] en [locatie sub 4] in de kern Hulshorst.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring aan het plan onthouden.
2.3. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen aan de [locatie sub 3] en [locatie sub 4], aangezien de gemeenteraad, anders dan verweerder meent, de legalisering van de bestaande bebouwing in de plantoelichting van een ruimtelijke onderbouwing heeft voorzien. Verder voeren zij aan dat het gemeentebestuur niet kan en niet wil optreden tegen de bestaande planologische situatie, zodat de in geding zijnde bebouwing niet onder het overgangsrecht kan vallen. Tot slot stellen appellanten dat het plan tot minder verstening leidt, nu het enerzijds voorziet in twee woningen en anderzijds vier recreatiewoningen verdwijnen.
2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad het bestemmingsplan onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Op grond daarvan heeft verweerder goedkeuring aan het plan onthouden. Daarbij is verweerder ervan uitgegaan dat het plangebied in landelijk gebied ligt.
2.5. Bij vergelijking van de plankaart met de topografische kaart van het gebied en de streekplankaart bij het Streekplan Gelderland 1996, is de Afdeling gebleken dat het plangebied geheel binnen de aanduiding ‘woonfunctie’ valt.
Verweerder is hieraan in het bestreden besluit ten onrechte voorbijgegaan.
2.6. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit reeds hierom heeft genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.
De overige bezwaren van appellanten behoeven derhalve geen bespreking meer.
2.7. Niet gebleken is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 27 mei 2003, kenmerk RE2002.107344;
III. gelast dat aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.