ECLI:NL:RVS:2003:AO0240
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.R. Schaafsma
- K. Brink
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vergunning voor lozing afvalwater Afvalberging Derde Merwedehaven
Bij besluit van 26 maart 2002 heeft verweerder de vergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater door IGAT B.V. op oppervlaktewater verleend, waarbij een eerdere vergunning aan Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf Zuid-Holland N.V. werd ingetrokken. Het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht stelde beroep in tegen dit besluit en voerde diverse bezwaren aan, waaronder het ontbreken van een milieu-effectrapportage, het niet inwinnen van advies door bevoegde instanties, en onduidelijkheid over lozingsdebieten en grenswaarden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het Besluit milieu-effectrapportage 1994 geen verplichting tot het opstellen van een milieu-effectrapport opleggen in deze situatie. Daarnaast is vastgesteld dat de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en gedeputeerde staten niet als adviesorgaan waren aangewezen, waardoor het ontbreken van advies niet leidt tot vernietiging van het besluit. De vergunning is getoetst aan relevante milieuwetgeving, waaronder de Richtlijn 76/464/EEG, en de lozingsnormen zijn verscherpt of gelijkwaardig aan eerdere vergunningen, waarmee het stand-stillbeginsel wordt gerespecteerd.
Verder is het vergunde maximale lozingsdebiet van 1.200 m3 per dag redelijk geacht gezien de fluctuaties in afvalwateraanvoer en de uitbreiding van activiteiten. De begrippen in de vergunning zijn voldoende duidelijk omschreven, zodat het ontbreken van een begrippenlijst niet tot rechtsongelijkheid leidt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor lozing afvalwater door IGAT B.V. wordt ongegrond verklaard.