ECLI:NL:RVS:2003:AO0268

Raad van State

Datum uitspraak
10 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200306614/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D.A.C. Slump
  • E.D. Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WoningwetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuursdwang voor illegale plaatsing schaftkeet en containers

Het college van burgemeester en wethouders van Texel heeft verzoekster aangeschreven om een schaftkeet en vier containers te verwijderen die zonder bouwvergunning op een perceel te De Koog waren geplaatst. Tevens werd het gebruik van het perceel strijdig met het bestemmingsplan beëindigd en werden dwangsommen opgelegd. Verzoekster maakte bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van verzoekster gegrond voor zover het ging om het beëindigen van het bestemmingsplan strijdige gebruik, maar ongegrond voor de overige onderdelen.

Verzoekster stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak behandelde dit verzoek en oordeelde dat voor de plaatsing van de schaftkeet en containers een bouwvergunning vereist was, die niet was verleend. Het college was daarom bevoegd handhavend op te treden. Er was geen zicht op legalisering en geen sprake van rechtsverwerking. De begunstigingstermijn en hoogte van de dwangsommen waren redelijk.

Gezien deze overwegingen wees de Voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestuursdwangbesluit werd afgewezen.

Uitspraak

200306614/2.
Datum uitspraak: 10 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
de Vereniging van Eigenaren Beach Park Texel, gevestigd te Groningen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 25 september 2003 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Texel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Texel (hierna: het college) verzoekster onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven de schaftkeet op het perceel, kadastraal bekend gemeente Texel, sectie T, nummers 1802 en 2473, gelegen aan het Stappeland te De Koog, te verwijderen. Voorts heeft het college verzoekster onder oplegging van twee dwangsommen gelast om onderscheidenlijk vier op dit perceel geplaatste containers te verwijderen en verwijderd te houden en het met het bestemmingsplan “De Koog” strijdige gebruik van het perceel te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 5 juli 2002 heeft het college het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar onder wijziging van de begunstigingstermijn ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door verzoekster ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het is gericht tegen de last tot beëindiging van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, de bestreden beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd, het bezwaar in zoverre alsnog gegrond verklaard en het betrokken deel van het besluit van 1 februari 2002 herroepen. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 3 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 oktober 2003. Bij brief van 31 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 november 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, [verzoekers], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.A. Witte, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De schaftkeet en de containers zijn geplaatst bij een park met vakantiewoningen en werden gebruikt als onderscheidenlijk receptie en opslag- en personeelsruimten. Naar voorlopig oordeel is voor de plaatsing van de keet en de containers, gelet op het plaatsgebonden karakter ervan, bouwvergunning vereist. Nu geen bouwvergunning is verleend, was het college derhalve bevoegd om handhavend op te treden.
2.2. De Voorzitter is niet gebleken dat ten tijde van het besluit van 5 juli 2002 concreet zicht bestond op al dan niet tijdelijke legalisering van de bouwwerken. Het feit dat verzoekster mogelijkerwijs er in zal slagen elders op het terrein extra grond te verwerven en daar mogelijkerwijs vervolgens definitieve voorzieningen zal realiseren maakt dit niet anders. Voorts wordt overwogen dat, zo al moet worden aangenomen dat de bouwwerken op de peildatum van het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht reeds aanwezig waren, dit niet betekent dat hiervoor alsnog bouwvergunning kon worden verleend.
2.3. In hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht kan naar voorlopig oordeel onvoldoende aanleiding worden gevonden om aan te nemen dat het college het recht om handhavend op te treden had verwerkt.
2.4. Het college is er in zijn besluiten steeds van uitgegaan dat verzoekster de containers heeft doen plaatsen en derhalve als overtreder van het in artikel 40 van Pro de in de Woningwet neergelegde verbod moet worden aangemerkt. Het feit dat verzoekster dit eerst in hoger beroep heeft bestreden vormt onvoldoende grond om thans van de onjuistheid van de aanname van het college uit te gaan.
2.5. De Voorzitter ziet geen grond voor het oordeel dat de geboden begunstigingstermijn te kort is dan wel dat de hoogte van de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
2.6. Gelet op het vorenstaande en gezien de betrokken belangen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2003
201.