AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging intrekking keuringsbevoegdheid APK wegens onvoldoende motivering en onevenredigheid
De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (RDW) heeft de aan appellant verleende bevoegdheid voor het verrichten van APK-keuringen voor motorrijtuigen tot 3500 kg voor zes weken ingetrokken vanwege het niet beschikbaar zijn van een voertuig voor steekproefsgewijze herkeuring.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de RDW en vervolgens door de voorzieningenrechter ongegrond werd verklaard. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de RDW onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat appellant op 2 december 2002 voor het eerst werkte met een nieuw computersysteem, waardoor de steekproef op de eerste afgemelde auto niet werd opgemerkt. Dit maakt de opgelegde sanctie onevenredig.
De beslissing op bezwaar is onvoldoende gemotiveerd in strijd met artikel 7:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en het besluit van de RDW, en gelast een nieuwe beslissing op bezwaar. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de keuringsbevoegdheid wordt vernietigd.
Uitspraak
200303694/1.
Datum uitspraak: 17 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 mei 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2003 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de aan appellant verleende bevoegdheid voor het verrichten van APK-keuringen voor de categorie motorrijtuigen tot en met 3500 kilogram ingetrokken voor de periode van zes weken.
Bij besluit van 10 maart 2003 heeft de RDW het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 mei 2003, verzonden op 3 juni 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 14 augustus 2003 heeft de RDW van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2003, waar appellant in persoon, en de RDW, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet is in geschil dat het voertuig met kenteken YS-28-TH, dat volgens de melding van de RDW op 2 december 2002 moest worden onderworpen aan een steekproefsgewijze herkeuring, bij aankomst van de steekproefmedewerker van de RDW niet aanwezig was. Hieruit volgt dat de RDW in beginsel bevoegd was tot het opleggen van de bestreden sanctie in verband met overtredingen van de artikelen 45, vijfde lid, onder d, en 46, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK.
In bijlage 1 bij de toezichtbeleidsbrief van 1 maart 2000 heeft de RDW het sanctiebeleid ten aanzien van deze overtredingen bekend gemaakt. Het niet voor steekproefsgewijze herkeuring beschikbaar zijn van het betreffende voertuig wordt daarbij gekwalificeerd als het niet verlenen van medewerking bij het toezicht door de RDW hetgeen een overtreding oplevert die volgens voornoemde bijlage in dit geval met een tijdelijke intrekking van de keuringsbevoegdheid voor de duur van zes weken wordt gesanctioneerd.
2.2. Desondanks kan de Afdeling zich niet met het oordeel van de voorzieningenrechter dat de RDW op goede gronden is overgegaan tot een intrekking van de keuringsbevoegdheid voor de duur van zes weken, verenigen. Hierbij wordt het navolgende in aanmerking genomen. Ter voorbereiding van de overgang naar een nieuw computersysteem per 1 januari 2003, was appellant, op aandringen van de RDW, reeds op 2 december 2002 begonnen met het afmelden via het nieuwe systeem. Uit de stukken is gebleken dat op de eerste auto die op 2 december 2002 via het nieuwe systeem werd afgemeld, direct een steekproef viel, hetgeen niet is opgemerkt door appellant. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de RDW bij de toepassing van zijn sanctiebeleid in het voorliggende geval onvoldoende acht geslagen op de omstandigheid dat juist een nieuw systeem was ingevoerd, dat appellant voor het eerst hanteerde en waarmee hij om die reden ook nog niet vertrouwd kon zijn, terwijl bovendien op de eerste auto die werd afgemeld, een steekproef viel. De RDW had in de specifieke omstandigheden van dit geval aanleiding moeten vinden om een lagere sanctie op te leggen. Dit in aanmerking genomen heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de overeenkomstig voornoemd sanctiebeleid opgelegde sanctie in het onderhavige geval niet onevenredig geacht. Gelet op het vorenstaande is de beslissing op bezwaar niet deugdelijk gemotiveerd en derhalve in strijd met artikel 7:12 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
2.3. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellant alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. De RDW dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding op na te melden wijze.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 mei 2003, reg. nr. 03/1200 Beslu;
III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer van 10 maart 2003, VIZ2003/2047/3590;
V. veroordeelt de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer in de door H. Sucu in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 104,55, dit bedrag dient door de Dienst Wegverkeer te worden betaald aan [appellant];
VI. gelast dat de Dienst Wegverkeer aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 291,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.