ECLI:NL:RVS:2003:AO0794

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304250/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 InvesteringsPremieRegeling Flevoland 2000Artikel 6 lid 4 InvesteringsPremieRegeling Flevoland 2000Artikel 13 InvesteringsPremieRegeling Flevoland 2000Artikel 29 InvesteringsPremieRegeling Flevoland 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijdrage InvesteringsPremieRegeling Flevoland wegens te vroege verplichtingen

Appellante vroeg een bijdrage aan in het kader van de InvesteringsPremieRegeling Flevoland 2000 voor de verplaatsing van haar bedrijf naar Urk. Het college van gedeputeerde staten van Flevoland wees deze aanvraag af omdat zij ruim vóór de vooraanmelding verplichtingen was aangegaan voor de aankoop van grond, waardoor de subsidiabele kosten te laag waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat de voorlopige koopovereenkomst uit 1999 een verplichting vormde die niet in aanmerking kon worden genomen voor subsidie. Het betoog van appellante dat de regeling eerder had moeten worden aangekondigd en dat de overgangsregeling onrechtvaardig was, werd verworpen.

Ook het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen op basis van uitlatingen van een gemeenteambtenaar faalde, omdat het college niet gebonden is aan mededelingen van medewerkers van andere overheidslichamen. De Afdeling concludeerde dat de regeling geen terugwerkende kracht kent en dat het stimuleringskarakter van de regeling in stand moet blijven.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de subsidieaanvraag wegens te vroeg aangegane verplichtingen.

Uitspraak

200304250/1.
Datum uitspraak: 24 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zwolle van 20 mei 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van gedeputeerde staten van Flevoland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2002 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college) de aanvraag van appellante om een bijdrage in het kader van de InvesteringsPremieRegeling Flevoland 2000 (Stcrt. 2001, nr. 168; hierna: de Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 mei 2003, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2003. Laatstgenoemde brief is aangehecht.
Bij brief van 2 september 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld van [belanghebbenden], en het college, vertegenwoordigd door
mr. drs. M.M.H. Brinke-Schulte, advocaat te Lelystad, en ir. H.S. Boerrigter en O.L.F. Gähler, gemachtigden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 5 van Pro de Regeling kan het college een bijdrage verlenen aan de ondernemer die een vestigings-, uitbreidings- of herstructureringsproject uitvoert in de gemeente Lelystad of Urk.
Ingevolge het vierde lid van artikel 6 van Pro de Regeling worden tot de eligibele kosten niet gerekend de kosten van investeringen waartoe verplichtingen zijn aangegaan voor de datum van ontvangst van de aanvraag met uitzondering van de kosten ter verwerving van bestaande bedrijfsgebouwen en grond waartoe de aanvrager zich minder dan dertien weken voor de ontvangst van de aanvraag heeft verplicht, mits de desbetreffende notariële akte tot levering wordt verleden na de indiening van de aanvraag.
Ingevolge artikel 13, aanhef en onder b, van de Regeling, voorzover hier van belang, weigert het college een bijdrage ten behoeve van een vestigingsproject in de gemeente Urk indien de eligibele kosten minder bedragen dan € 250.000.
Ingevolge artikel 29 van Pro de Regeling worden in afwijking van artikel 6 lid 4 met Pro betrekking tot projecten waarvoor voorafgaand aan de uitvoering van het project en voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening bij het college een vooraanmelding is gedaan, als projectkosten mede in aanmerking genomen de kosten die zijn gemaakt en betaald na de vooraanmelding.
2.2. Op 8 oktober 2001 is bij het college een aanvraag binnengekomen van appellante om een bijdrage in verband met de verplaatsing van haar bedrijf van Krommenie naar Urk. Bij het besluit van 3 april 2002, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 7 oktober 2002, heeft het college de bijdrage geweigerd omdat ruim vóór de vooraanmelding van 15 september 2000 (binnengekomen 18 september 2000) verplichtingen waren aangegaan voor de aankoop van grond en de eligibele kosten daardoor op een te laag bedrag uitkwamen.
2.3. In tegenstelling tot hetgeen appellante heeft betoogd, is de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellante te vroeg verplichtingen is aangegaan om voor subsidie in aanmerking te komen. Wat betreft de verworven grond heeft appellante op 6 juli 1999 een zogenoemde voorlopige koopovereenkomst gesloten, waarmee zij verplichtingen is aangegaan als bedoeld in de Regeling. De desbetreffende kosten zijn derhalve terecht buiten beschouwing gelaten, waardoor de subsidiabele kosten onder het ingevolge de Regeling vereiste minimumbedrag van € 250.000,-- bleven.
Het betoog van appellante dat de komst van de Regeling eerder had moeten worden aangekondigd en dat de in artikel 29 vervatte Pro overgangsregeling niet rechtvaardig is, slaagt evenmin. Wat er verder ook zij van dit betoog, op het moment dat appellante het merendeel van de verplichtingen met betrekking tot de grond en de bebouwing ervan is aangegaan was er nog onvoldoende zicht op de komst van de Regeling en kon er ook van een vooraankondiging en vooraanmelding geen sprake zijn. Toen er wel meer duidelijkheid was over de komst en de aard van de Regeling is ook de mogelijkheid van het doen van een vooraanmelding in het leven geroepen. Dat er op een bepaald moment een regeling is gekomen waar de hier aan de orde zijnde investeringen onder zouden kunnen worden gebracht, kan er niet toe leiden dat dit met terugwerkende kracht ook zou dienen te geschieden. Geen rechtsregel verzet zich er in dit geval tegen dat, zoals in de Regeling is neergelegd, investeringen van voor een bepaalde datum niet kunnen worden meegenomen. Een andersluidende opvatting zou ook afbreuk doen aan het stimuleringskarakter van de Regeling. Voorts kan, anders dan zij stelt, niet worden geoordeeld dat appellante aan uitlatingen van een gemeenteambtenaar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat subsidie zou worden verleend. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, wat er ook van de desbetreffende mededelingen zij, het college niet kan worden gebonden door uitlatingen van een medewerker van een ander overheidslichaam. Ook overigens kan hetgeen appellante heeft aangevoerd niet leiden tot het verlenen van de gevraagde bijdrage.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Dallinga
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003
18.