AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen verwijderingsbevel overkapping
Het college van burgemeester en wethouders van Hattem legde een dwangsom op en beval de verwijdering van een overkapping die in strijd was met de Woningwet. Appellanten stelden bezwaar en beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van één appellant niet-ontvankelijk en wees het beroep van een ander af.
In hoger beroep oordeelt de Raad van State dat twee appellanten niet-ontvankelijk zijn omdat zij geen bezwaar tegen het oorspronkelijke besluit hadden ingediend en dit hen redelijkerwijs verweten kan worden. De machtiging die was verstrekt voor overleg met de gemeente betreft niet de vertegenwoordiging in hoger beroep.
Het beroep van de derde appellant is ongegrond verklaard omdat zij geen belanghebbende was en geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit. De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de hoger beroepen af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van twee appellanten is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de derde appellant is ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitspraak
200303970/1.
Datum uitspraak: 24 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], [appellant B] en [appellant C], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 13 mei 2003 in het geding tussen:
[appellant B], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Hattem.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hattem (hierna: het college) [appellant C], onder oplegging van een dwangsom, gelast om de tussen de twee bijgebouwen op het perceel [locatie] te [plaats] in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet aangebrachte overkapping voor 27 december 2001 te verwijderen.
Bij besluit van 23 april 2002 heeft het college het daartegen door [appellant C] en [appellant A] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant B] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 2 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 19 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief en de brief van appellanten van 13 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 2 juli 2003, zijn aangehecht.
Bij brief van 4 augustus 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2003, waar [appellant A] in persoon en het college, vertegenwoordigd door ing. E.J.W. Gijsen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:13 vanPro de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit.
Op grond van artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is artikel 6:13 voornoemdPro van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.
2.2. De Afdeling is van oordeel dat, nu [appellant C] en [appellant A] niet ten behoeve van zichzelf beroep bij de rechtbank hebben ingesteld en niet is gebleken dat hun dat redelijkerwijs niet kan worden verweten, zij, gelet op het bepaalde in artikel 6:13, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Awb, niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep.
De door appellanten gestelde omstandigheid dat [appellant C] op 3 april 2002 [appellant A] en [appellant B] heeft gemachtigd om als zaakgelastigde op te treden ten aanzien van overleg met de gemeente Hattem en de bezwarencommissie van de gemeente Hattem inzake [locatie] te [plaats], kan niet tot een ander oordeel leiden. De machtiging ziet immers niet op de vertegenwoordiging van [appellant C] in (hoger) beroep.
2.3. Het betoog van appellanten dat de rechtbank had moeten onderkennen dat het beroep van [appellant B] niet namens haarzelf moest worden geacht te zijn ingesteld, maar namens [appellant C], faalt. De tekst van het beroepschrift noch de ter zitting bij de rechtbank overgelegde machtiging, waarbij [appellant A] door [appellant B] wordt gemachtigd haar in beroep te vertegenwoordigen, geven daartoe aanleiding. Gelet daarop bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank gehouden was een eventueel verzuim te herstellen door nog ter zitting een machtiging te vragen, waaruit zou blijken dat was beoogd beroep in te stellen namens [appellant C]. De rechtbank heeft derhalve terecht [appellant B] als eiseres aangemerkt.
Daarvan uitgaande, heeft de rechtbank voorts terecht geoordeeld dat [appellant B] niet kon worden ontvangen in haar beroep, nu zij geen belanghebbende was bij het besluit op bezwaar en omdat zij ingevolge artikel 6:13 vanPro de Awb niet zelf een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit en niet gesteld kan worden dat haar dat redelijkerwijs niet kan worden verweten.
Dat de rechtbank correspondentie aan [appellant B] heeft gericht, in plaats van tot [appellant C], komt omdat het beroep door haar is ingesteld, maar is niet relevant voor de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.
Anders dan appellanten menen, kan de ter zitting in hoger beroep overgelegde machtiging niet leiden tot een ander oordeel.
2.4. De hoger beroepen van [appellant A] en [appellant C] zijn niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van [appellant B] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart de hoger beroepen van [appellant C] en [appellant A] niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.