ECLI:NL:RVS:2003:AO0826

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303707/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 124 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onbevoegdheid gedeputeerde staten voor besluit op verzoek handhaving bestemmingsplan

Appellante verzocht het college van gedeputeerde staten om op grond van artikel 124 van Pro de Gemeentewet in de plaats te treden van het college van burgemeester en wethouders van Helmond en handhavend op te treden tegen een magazijn dat in strijd met het bestemmingsplan was geplaatst. Het college van gedeputeerde staten wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het college van gedeputeerde staten niet bevoegd was om op het verzoek te beslissen en vernietigde het besluit.

Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte het college van gedeputeerde staten onbevoegd had verklaard. De Raad van State overwoog dat artikel 124 Gemeentewet Pro ziet op situaties van taakverwaarlozing door het gemeentebestuur. Het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift en de afwijzing van het verzoek tot handhaving rechtvaardigen geen conclusie van taakverwaarlozing.

De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank dat het college van gedeputeerde staten niet bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 124 Gemeentewet Pro in deze zaak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het college van gedeputeerde staten niet bevoegd is om op grond van artikel 124 Gemeentewet te besluiten.

Uitspraak

200303707/1.
Datum uitspraak: 24 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 april 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 2000 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college van gedeputeerde staten) het verzoek van appellante van 21 mei 1999 om met toepassing van artikel 124 van Pro de Gemeentewet in de plaats van het college van burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: het college) een beslissing op haar bezwaarschrift van 30 april 1998 te nemen en handhavend op te treden tegen een in strijd met het bestemmingsplan geplaatst magazijn op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het magazijn), afgewezen.
Bij besluit van 26 februari 2002 heeft het college van gedeputeerde staten het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 april 2003, verzonden op 29 april 2003, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, die beslissing vernietigd, het besluit van het college van gedeputeerde staten van 11 januari 2000 herroepen, het college van gedeputeerde staten alsnog onbevoegd verklaard om op het verzoek van appellante van 21 mei 1999 te beslissen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 6 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 31 juli 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door A.J. Vos, ambtenaar der provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten niet bevoegd was om met toepassing van artikel 124 van Pro de Gemeentewet op haar verzoek te besluiten.
2.2. Artikel 124, eerste lid, van de Gemeentewet luidde ten tijde hier van belang als volgt: "Wanneer het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde besluiten niet of niet naar behoren neemt, voorzien gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koningin daarin namens het gemeentebestuur en ten laste van de gemeente."
2.3. De Afdeling stelt voorop dat artikel 124 Gemeentewet Pro is opgenomen in paragraaf 3 van die wet, met als titel “Bijzondere voorzieningen”. Dit artikel ziet blijkens zijn geschiedenis van totstandkoming op situaties, waarin sprake is van taakverwaarlozing door een gemeentelijk bestuursorgaan. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen rechtvaardigt het feit dat het college (destijds) niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift van appellante niet de conclusie dat sprake is van taakverwaarlozing als bedoeld in voornoemd artikel. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat appellante in dit geval de afwijzing van het verzoek om handhaving door het college onrechtmatig acht. Overigens heeft appellante daartegen rechtsmiddelen aangewend. Ten tijde van de behandeling van het hoger beroep ter zitting liep daarover nog een beroepsprocedure bij de rechtbank. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een andersluidend oordeel. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college van gedeputeerde staten in dit geval niet bevoegd was om toepassing te geven aan artikel 124 van Pro de Gemeentewet.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Molenaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Molenaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2003
369.