ECLI:NL:RVS:2003:AO0841
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G. Drupsteen
- J.A.M. van Angeren
- Ch.W. Mouton
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering vergunning injectie putbehandelings- en doodpompvloeistoffen in diepe ondergrond
Bij besluit van 26 juli 2002 verleende de minister van Economische Zaken aan appellante een vergunning voor het oprichten en in werking hebben van een waterpompstation met injectieputlocaties en het lozen van afvalwaterstromen in de bodem, met uitzondering van de injectie in de diepe ondergrond van putbehandelingsvloeistoffen en doodpompvloeistoffen. Appellante stelde dat deze weigering onterecht was en dat ook die injectie als milieuhygiënische en doelmatige verwijdering van afvalstoffen kon worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd. De weigering was gebaseerd op een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, die niet deugdelijk had gemotiveerd waarom bovengrondse verwerking doelmatiger zou zijn dan injectie in de diepe ondergrond. Hierdoor kon het besluit niet standhouden volgens artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit voor zover het de weigering van de vergunning voor injectie in de diepe ondergrond betreft, en droeg de minister op binnen zeventien weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van vergunning voor injectie in de diepe ondergrond wordt vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.