ECLI:NL:RVS:2003:AO0913
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Beekhuis
- Rechtspraak.nl
Last onder dwangsom wegens illegale inrichting in waterwingebied zonder milieuvergunning
Verweerder heeft aan appellant een last onder dwangsom opgelegd wegens het in werking hebben van een inrichting zonder de vereiste milieuvergunning in een waterwingebied, in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en artikel 5.21 van de Provinciale milieuverordening Limburg. De dwangsom bedraagt € 200 per dag met een maximum van € 12.000. Appellant stelde dat de situatie legaliseerbaar was, dat het verbod van de PMV onverbindend was en dat de dwangsom disproportioneel is. Tevens voerde appellant aan dat de situatie jarenlang was gedoogd en dat eerst onderzocht had moeten worden of verplaatsing mogelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de inrichting zonder vergunning in werking was en dat de toepasselijke artikelen van de Wet milieubeheer en de PMV het opleggen van de last onder dwangsom rechtvaardigen. Het beroep op legalisatie faalde omdat geen geldige milieuvergunning aanwezig is en de situatie niet kan worden gelegaliseerd. De Afdeling vond ook geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen op gedogen. De bescherming van de waterwinning werd als zwaarwegend belang erkend, mede omdat het terrein niet bodembeschermd is.
De begunstigingstermijn van ruim zes maanden werd als voldoende beoordeeld om de overtreding ongedaan te maken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens illegale inrichting zonder milieuvergunning in een waterwingebied wordt ongegrond verklaard.