ECLI:NL:RVS:2003:AO0953

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307459/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.G. Drupsteen
  • M.A.G. Stolker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet bodembescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen kap bomen in saneringsplan bodemverontreiniging Uranusstraat Enschede

Bij besluit van 3 maart 2003 stelde de gemeente Enschede vast dat op de locatie Uranusstraat te Enschede sprake was van ernstige bodemverontreiniging met een urgente saneringsbehoefte. Verweerder stemde in met een saneringsplan dat onder meer voorzag in het kappen van een eik en een linde, welke bomen door verzoekers als beeldbepalend werden beschouwd.

Verzoekers maakten bezwaar tegen het kappen van deze bomen en stelden dat de sanering ook zonder kap kon worden uitgevoerd. Hoewel verweerder het bezwaar deels gegrond verklaarde, handhaafde hij het besluit onder aanvulling van gronden. De kapvergunning voor de bomen was verleend, maar het beroep van verzoekers tegen deze vergunning was door de rechtbank Almelo ongegrond verklaard, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State.

De Voorzitter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening en oordeelde dat de noodzaak tot kap niet onomstotelijk uit het saneringsplan volgt en dat de saneringsdoelstelling mogelijk ook zonder kap kan worden bereikt. Daarom schorste hij het besluit voor zover het de kap van de eik en linde betreft, totdat over het verzoek om voorlopige voorziening tegen de kapvergunning is beslist. Tevens werd het betaalde griffierecht aan verzoekers vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot kap van twee beeldbepalende bomen in het saneringsplan wordt geschorst totdat over de kapvergunning definitief is beslist.

Uitspraak

200307459/2.
Datum uitspraak: 19 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 maart 2003, kenmerk 03B000973MIL heeft verweerder naar aanleiding van een melding van de gemeente Enschede vastgesteld dat op de locatie “Uranusstraat” te Enschede, kadastraal bekend gemeente Lonneker, sectie […], nummer […], sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering urgent is en heeft verweerder ingestemd met een saneringplan voor dit geval van verontreiniging.
Bij besluit van 3 oktober 2003, kenmerk 03B014060 B & M/nb, heeft verweerder het bezwaar van verzoekers gegrond verklaard en het besluit van 3 maart 2003 onder aanvulling van gronden gehandhaafd.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 10 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van diezelfde dag.
Bij brief van 10 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2003, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 12 december 2003 een verweerschrift ingediend.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 december 2003, waar verzoekers en verweerder, vertegenwoordigd door H. Oude Lenferink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [partij] en [partij].
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekers keren zich tegen de voorgenomen sanering, voorzover ter uitvoering daarvan twee bomen worden gekapt. Het betreft een eik en een linde, die volgens partijen beeldbepalend zijn. Verzoekers hebben naar voren gebracht dat er mogelijkheden zijn om de sanering uit te voeren met behoud van die twee bomen.
2.3. In het saneringsplan van 25 april 2003 wordt bij de voorbereidende werkzaamheden genoemd: het verwijderen van eventuele begroeiing. Uit de uitlatingen van verweerder ter zitting leidt de Voorzitter af dat bij verweerder weliswaar het voornemen bestaat om de betreffende bomen te kappen, doch dat de noodzaak daartoe niet zonder meer voortvloeit uit het saneringsplan en de saneringsdoelstelling wellicht ook is te bereiken zonder die bomen te kappen.
2.4. Voor het kappen van de twee bomen is een kapvergunning vereist en verleend. Het beroep van verzoekers tegen die vergunning is ongegrond verklaard door de rechtbank Almelo. Daartegen hebben verzoekers inmiddels hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij de Voorzitter hebben zij gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen terzake de kapvergunning. In afwachting van de behandeling van dat verzoek, dat bepalend is voor het antwoord op de vraag of verweerder van die vergunning gebruik kan maken, ziet de Voorzitter grond voor het treffen van die hierna onder 3 genoemde voorlopige voorziening.
2.5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede van 3 oktober 2003, 03b014060 B&M/nb, voorzover de instemming betreft het onderdeel van het saneringsplan dat uitgaat van het kappen van de desbetreffende eik en linde;
II. bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt op het moment dat de Voorzitter heeft beslist op het verzoek om voorlopige voorziening betreffende de kapvergunning;
III. gelast dat de gemeente Enschede aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Drupsteen w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2003
157.