ECLI:NL:RVS:2003:AO1324

Raad van State

Datum uitspraak
23 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200307794/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.19 Wet milieubeheerArt. 8:81 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-acceptatie melding geluidvoorschriften Wet milieubeheer

Verzoeker heeft bij besluit van 9 oktober 2003 een melding gedaan krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, welke melding door verweerder niet is geaccepteerd. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter heeft het verzoek behandeld op 15 december 2003, waarbij partijen zijn gehoord. Verzoeker stelde dat de voorgenomen veranderingen leiden tot een afname van geluid op de in de vergunning opgenomen immissiepunten, zodat de melding niet in strijd is met de vergunningvoorschriften.

Verweerder stelde dat het akoestische rapport bij de melding aantoont dat de veranderingen leiden tot overschrijding van streefwaarden op andere immissiepunten dan de in de vergunning opgenomen punten. De Voorzitter concludeerde dat de motivering van het besluit twijfelachtig is omdat het geluid op de 11 andere emissiepunten niet goed kan worden beoordeeld vanwege ontbrekende gegevens over de bestaande geluidbelasting.

Desondanks achtte de Voorzitter het aannemelijk dat door de verplaatsing van geluidbronnen een toename van geluid kan optreden op geluidgevoelige objecten die niet in de vergunning zijn geregeld. Gezien het spoedeisende karakter en het feit dat het bezwaar binnenkort zal worden beslist, zag de Voorzitter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit tot niet-acceptatie van de melding wordt afgewezen.

Uitspraak

200307794/1.
Datum uitspraak: 23 december 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Texel,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2003 heeft verweerder de door verzoeker krachtens artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer gedane melding niet geaccepteerd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
Bij brief van 22 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 december 2003. Verzoeker en verweerder, vertegenwoordigd door C.H. Witte, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Volgens verzoeker is de melding ten onrechte niet geaccepteerd. In dat verband heeft hij aangevoerd dat door de voorgenomen veranderingen het geluid op de in de vergunning opgenomen immissiepunten zelfs afneemt, zodat de melding geen strijd oplevert met de geluidvoorschriften die gelden ingevolge de vergunning.
2.2. Blijkens het besluit heeft verweerder de melding niet geaccepteerd omdat – kort weergegeven – volgens hem uit het akoestische rapport bij de melding blijkt dat de voorgenomen veranderingen leiden tot overschrijdingen van de streefwaarden op andere punten dan de in de vergunning opgenomen immissiepunten.
2.3. Zoals wordt gesteld in het akoestische rapport en door verweerder niet is bestreden, kan met de voorgenomen verandering worden voldaan aan de geluidgrenswaarden uit de vergunning, die gelden ter plaatse van 6 nader aangeduide emissiepunten. Met het oog op de voorgenomen verandering zijn in het akoestische rapport 11 andere emissiepunten gekozen. De Voorzitter leidt uit het akoestisch rapport af dat de geluidgrenswaarden die gelden op de 6 emissiepunten uit de vergunning vrijwel alle hoger zijn dan de waarden die zijn berekend voor die 11 andere emissiepunten. Wat de geluidbelasting op die 11 punten is ten gevolge van de reeds vergunde activiteiten, was en is niet bekend. In het licht daarvan betwijfelt de Voorzitter of de motivering van het besluit, inhoudende dat de streefwaarden worden overschreden op (een of meer van) die 11 punten, toereikend is. Dat neemt echter niet weg dat, aangezien de voorgenomen activiteiten met name tot verplaatsing van de geluidbronnen leiden, het aannemelijk is dat een toename van geluid zal optreden op een aantal geluidgevoelige objecten waarover in de vergunning niets is geregeld en waarvan de aanvaardbaarheid slecht is te beoordelen in een vergunningprocedure. Daarom betwijfelt de Voorzitter of in dit geval wel kan worden volstaan met een melding.
2.4. Te meer nu het in de rede ligt dat ruimschoots vóór het begin van de voor verzoeker voor zijn bedrijf van belang zijnde periode zal worden beslist op zijn bezwaar, ziet de Voorzitter in het hiervoor overwogene geen aanleiding om, in afwachting van die beslissing, een voorlopige voorziening te treffen.
2.5. Het verzoek dient te worden afgewezen.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2003
157.