ECLI:NL:RVS:2004:33
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring wegens ontbreken rechtmatig verblijf ondanks beroep op EG-Verdrag
Appellant is op 10 september 2004 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees tevens zijn verzoek om schadevergoeding af. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel aanspraak maakt op rechten uit het EG-Verdrag, omdat hij een kopie van een geldig paspoort had overgelegd en eerder als Frans staatsburger was erkend.
De Raad van State overwoog dat op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie een vreemdeling die de nationaliteit van een lidstaat claimt, maar dit niet met geldige documenten kan aantonen, geen rechten aan het EG-Verdrag kan ontlenen. Appellant had geen origineel geldig identiteitsbewijs overgelegd en kon zijn nationaliteit niet aannemelijk maken. De omstandigheden boden geen grond voor een ander oordeel.
Verder stelde appellant dat de minister onvoldoende voortvarend was geweest met voorbereidingen voor zijn uitzetting tijdens zijn strafrechtelijke detentie. De Raad van State stelde dat het ontbreken van voorbereidingshandelingen niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, zeker niet nu appellant meerdere strafrechtelijke veroordelingen heeft en ongewenst is verklaard.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant geen rechtmatig verblijf heeft aangetoond en dat de vreemdelingenbewaring terecht is opgelegd.