ECLI:NL:RVS:2004:34
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring ondanks ontbreken voorafgaande staandehouding
Appellanten zijn bij besluiten van 6 juli 2004 in vreemdelingenbewaring gesteld nadat hun aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd waren afgewezen. Zij stelden in hoger beroep dat hun ophouding onrechtmatig was omdat zij niet voorafgaand aan de ophouding staande waren gehouden, zoals vereist volgens artikel 50, eerste tot en met derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State overweegt dat de ambtenaren bevoegd zijn personen staande te houden op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf om identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie vast te stellen. In deze zaak waren deze gegevens echter al vastgesteld ten tijde van de uitreiking van de afwijzingsbesluiten. Daarom is de ophouding zonder voorafgaande staandehouding niet onrechtmatig.
De Raad van State verwijst naar eerdere uitspraken waarin vergelijkbare situaties zijn beoordeeld en bevestigt dat het ontbreken van staandehouding voorafgaand aan ophouding niet leidt tot onrechtmatigheid als de identiteit en verblijfsrechtelijke positie reeds bekend zijn. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen en de aangevallen uitspraken van de rechtbank worden bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring ondanks het ontbreken van voorafgaande staandehouding en wijst de schadevergoedingsverzoeken af.