ECLI:NL:RVS:2004:AO1267

Raad van State

Datum uitspraak
7 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304019/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
  • G.K. Klap
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20.6 Wet milieubeheerArt. 8.1 Wet milieubeheerArt. 8.40 Wet milieubeheerBesluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunning voor constructiewerkplaats wegens vervallen vergunningplicht

Bij besluit van 10 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Helder een vergunning verleend aan een vergunninghouder voor het oprichten en in werking hebben van een constructiewerkplaats annex atelierruimte te Den Helder. Dit besluit is op 12 juni 2003 ter inzage gelegd. Diverse appellanten hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Raad van State.

De Raad van State heeft geoordeeld dat het beroep van een deel van de appellanten niet-ontvankelijk is omdat zij geen tijdig ingediende bedenkingen tegen het ontwerpbesluit hadden ingebracht. Vervolgens is inhoudelijk beoordeeld of de vergunning terecht is verleend. Volgens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is het verboden een inrichting zonder vergunning te hebben, tenzij het gaat om een inrichting die bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen waarbij de vergunningplicht vervalt.

Het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer, dat op 1 december 1998 in werking is getreden, is een dergelijke algemene maatregel van bestuur. De constructiewerkplaats waar metalen kunstwerken worden vervaardigd valt onder dit besluit, waardoor de vergunningplicht is komen te vervallen. De omvang van de vervaardigde kunstwerken doet hieraan niet af. Daarom is het bestreden besluit vernietigd en is het griffierecht aan appellanten vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot vergunningverlening is vernietigd wegens vervallen vergunningplicht.

Uitspraak

200304019/1.
Datum uitspraak: 7 januari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], allen wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2003, kenmerk 19339/02MD, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een constructiewerkplaats annex atelierruimte aan de [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Den Helder, sectie […], nummer […] (gedeeltelijk). Dit besluit is op 12 juni 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 juli 2003.
Bij brief van 18 augustus 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2003, waar van appellanten [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door J.M. Streunding en N.M.M. van Koningsbruggen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.
Tevens zijn namens vergunninghouder mr. S.L. Schram, advocaat te Amsterdam en [gemachtigde], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Verweerder heeft gesteld dat het beroep voorzover ingesteld door een deel van de appellanten niet-ontvankelijk is.
Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:
a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;
b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;
c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;
d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.
Van de appellanten hebben alleen [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] tijdig bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingediend. De overige appellanten hebben geen bedenkingen ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan deze appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep voorzover ingediend door deze appellanten niet-ontvankelijk is.
2.2. Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting: a. op te richten; b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen; c. in werking te hebben. Ingevolge het tweede lid van dit artikel geldt het verbod niet met betrekking tot inrichtingen behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting.
Op 1 december 1998 is het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) in werking getreden. Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur krachtens evengenoemd artikel 8.40, eerste lid.
In de inrichting worden metalen kunstwerken vervaardigd. Gelet op de artikelen 2 en 3 alsmede bijlage I onder 7 van het Besluit, is dit op de onderhavige inrichting van toepassing. Dit betekent dat de vergunningplicht voor deze inrichting is komen te vervallen. De door verweerder aangevoerde grote omvang van de vervaardigde kunstwerken kan hier geen rol bij spelen. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep voorzover niet ingediend door [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], [appellant F] en [appellant G] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder van 10 juni 2003, kenmerk 19339/02MD;
IV. gelast dat de gemeente Den Helder aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 116,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Klap
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2004
315.