ECLI:NL:RVS:2004:AO1642

Raad van State

Datum uitspraak
14 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200302376/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 10 WoonwagenwetArt. 17 WROArt. 19 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen raadsbesluit geen woonwagenstandplaats te creëren

De raad van de gemeente Bolsward heeft bij besluit van 7 december 2000 vastgesteld geen ligplaats of woonwagenstandplaats voor appellant te creëren. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de raad ongegrond werd verklaard. De rechtbank Leeuwarden oordeelde vervolgens dat het raadsbesluit geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, omdat het slechts een voornemen betreft zonder rechtsgevolg, en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.

Appellant stelde dat het raadsbesluit moest worden aangemerkt als een afwijzing van zijn verzoeken om vrijstelling van het bestemmingsplan en ontheffing van het verbod op woonwagenstandplaatsen. De Raad van State oordeelde dat deze verzoeken niet als zodanig in het raadsbesluit waren verwerkt en dat de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing en vergunningen bij het college van burgemeester en wethouders ligt, niet bij de raad.

De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het raadsbesluit slechts een politieke standpuntbepaling is zonder concreet rechtsgevolg en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200302376/1.
Datum uitspraak: 14 januari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 10 april 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de raad van de gemeente Bolsward.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2000 heeft de raad van de gemeente Bolsward (hierna: de raad) - onder meer - vastgesteld geen ligplaats of woonwagenstandplaats voor appellant te creëren.
Bij besluit van 26 april 2001 heeft de raad het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 april 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het door appellant gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 11 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 14 april 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 4 juni 2003 heeft de raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en mr. D. Veenstra, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. De rechtbank heeft het in bezwaar gehandhaafde raadsbesluit van 7 december 2000, waarbij is vastgesteld dat geen ligplaats of woonwagenstandplaats voor appellant wordt gecreëerd, aldus gelezen, dat de raad niet voornemens is om planologische medewerking te verlenen indien appellant een (stand)plaats voor zijn caravan in de gemeente Bolsward aanvraagt. Aangezien het raadsbesluit naar het oordeel van de rechtbank niet is gericht op rechtsgevolg, maar uitsluitend een voornemen behelst, kan het raadsbesluit niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb worden beschouwd. De rechtbank heeft in het vorenstaande aanleiding gezien de beslissing op bezwaar, voorzover daarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard, te vernietigen en dat bezwaar - zelf voorziend - alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
2.3. Appellant bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Hij betoogt hiertoe dat in zijn aan het college van burgemeester en wethouders van Bolsward (hierna: het college) gerichte brief van 29 januari 1996 zowel een verzoek is vervat om vrijstelling van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in artikel 17 dan Pro wel artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), als een verzoek om ontheffing van het verbod met een woonwagen standplaats te hebben buiten een centrum als bedoeld in artikel 10 van Pro de Woonwagenwet. Het raadsbesluit moet worden aangemerkt als een afwijzing van die verzoeken, aldus appellant.
2.4. Dit betoog faalt. Voor het aannemen van een - in het raadsbesluit vervatte - weigering om vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in de WRO, moet een daartoe strekkend verzoek zijn gedaan. De brief van appellant van 29 januari 1996 kan, gelet op de inhoud daarvan, niet als een zodanig verzoek worden aangemerkt. Hoewel die brief een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 10 van Pro de Woonwagenwet behelst, kan in het raadsbesluit naar het oordeel van de Afdeling niet een afwijzing van dat verzoek worden gelezen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bevoegdheid om een dergelijke ontheffing al dan niet te verlenen volgens evenbedoeld artikel niet aan de raad toekomt, maar aan het college van burgemeester en wethouders, terwijl zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2003 in zaak no. <a href=’http://www.raadvanstate.nl/verdicts/verdict_details.asp?verdict_id=2743’>200202402/1</a> en AB 2003, 221), het college bij besluit van 10 juni 2002 op de desbetreffende aanvraag van appellant heeft beslist. Overigens kan het raadsbesluit, anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, evenmin worden aangemerkt als de weigering om een ligplaatsvergunning te verlenen als bedoeld in de Woonschepenverordening van de gemeente Bolsward. In de brief van 29 januari 1996 is immers geen daartoe strekkend verzoek gedaan en bovendien is de bevoegdheid die vergunning al dan niet te verlenen op grond van die verordening eveneens voorbehouden aan het college.
Het vorenstaande in aanmerking genomen, leest de Afdeling in hetgeen in het raadsbesluit ten aanzien van appellant is overwogen niets anders of meer dan de schriftelijke neerlegging van een politieke standpuntbepaling, welke, bij gebreke van concrete en definitieve besluitvorming, niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb inhoudt. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen en heeft derhalve terecht aanleiding gezien het door appellant gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2004
91-391.