AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging besluit tramdienst Sarphatistraat en Czaar Peterstraat Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft op 21 december 2001 besloten een tramdienst toe te staan in de Sarphatistraat en de Czaar Peterstraat, zoals aangegeven op een bij het besluit behorende tekening. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum op 26 april 2002 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 22 oktober 2003 het beroep van appellante eveneens ongegrond.
Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De zaak werd behandeld op 8 januari 2004, waarbij appellante in persoon en het dagelijks bestuur vertegenwoordigd door een ambtenaar verschenen.
De Raad van State overwoog dat burgemeester en wethouders ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het nemen van verkeersbesluiten en dat de rechter de belangenafweging moet respecteren, tenzij sprake is van een onredelijke onevenwichtigheid. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de tramdienst een onveilige situatie zou veroorzaken. Ook werd overwogen dat de uitvoering van het besluit niet ter toetsing stond in deze procedure.
De Raad van State bevestigde het bestreden vonnis en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het verkeersbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
200307995/1 en 200307995/2.
Datum uitspraak: 29 januari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 vanPro die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam van 22 oktober 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: burgemeester en wethouders) besloten het uitvoeren van een tramdienst in de Sarphatistraat en de Czaar Peterstraat te Amsterdam toe te staan, zoals aangegeven op een bij dat besluit behorende tekening.
Bij besluit van 26 april 2002 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 oktober 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 30 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij separate brief van 30 november 2003. Deze brieven zijn aangehecht. Voorts heeft zij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar appellante, in persoon, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Fidom, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante heeft zich in de procedure vooral gericht tegen de aan het verkeersbesluit ten grondslag liggende besluiten van de raad van de gemeente Amsterdam van 14 juli 1999 en 4 juli 2001 (tracé- onderscheidenlijk profielbesluit). Tegen deze besluiten staan geen rechtsmiddelen open. Dat betekent niet dat die besluiten daarom ter toets staan bij het beoordelen van het op die besluiten gebaseerde verkeersbesluit, zoals appellante kennelijk beoogt te betogen.
2.2. Burgemeester en wethouders komt bij het nemen van een verkeersbesluit, als waar het hier om gaat, ruime beoordelingsvrijheid toe. Het was aan hen om alle bij het nemen van het besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. Zij zijn over die afweging verantwoording verschuldigd aan de raad. De rechter dient de uitkomst van die afweging te respecteren, tenzij sprake is van zodanige onevenwichtigheid dat geoordeeld moet worden dat burgemeester en wethouders daartoe in redelijkheid niet hebben kunnen komen.
2.3. Voor dat oordeel is geen grond. Met name heeft appellante niet met enig deskundigenbericht aannemelijk gemaakt dat, zoals zij stelt, sprake zal zijn van een - tegen het licht van het Amsterdamse stadsverkeer bezien – onaanvaardbaar onveilige situatie.
2.4. Voorzover appellante heeft betoogd dat de uitvoering van het verkeersbesluit niet overeenkomt met het in het besluit bepaalde, wordt overwogen dat de uitvoering van dit of enig ander besluit thans niet ter toets staat.
2.5. Nader onderzoek kan redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en overigens bestaat evenmin beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.