ECLI:NL:RVS:2004:AO2954

Raad van State

Datum uitspraak
30 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308254/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 1.1a WmArt. 8.1 Wm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake handhavingsmaatregelen milieubeheer garagebedrijf

Verzoekster heeft bij besluit van 2 december 2003 verzocht om bestuurlijke handhavingsmaatregelen tegen het garage- en carrosseriebedrijf van vergunninghoudster vanwege vermeende bodemverontreiniging en strijd met de Wet milieubeheer. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat geen aanwijzingen voor bodemverontreiniging aanwezig zijn en een uitbreidingsvergunning mogelijk is.

Verzoekster heeft vervolgens een voorlopige voorziening gevraagd bij de Raad van State. Tijdens de zitting op 19 januari 2004 heeft verweerder betoogd dat er geen spoedeisend belang is en dat de bezwaarprocedure kan worden afgewacht. Verzoekster stelde dat de zorgplicht uit de Wet milieubeheer niet wordt nageleefd en verweerder eerder beslistermijnen heeft overschreden.

De Voorzitter heeft overwogen dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Gezien de omstandigheden en het feit dat de bezwaarcommissie het bezwaar op 20 januari 2004 behandelt, is geen spoedeisend belang vastgesteld. Ook is geen bodemverontreiniging gebleken. Daarom is het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

200308254/1.
Datum uitspraak: 30 januari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2003, kenmerk BM/8721, heeft verweerder een verzoek van verzoekster om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot het garage- en carrosseriebedrijf van [vergunninghoudster] op de percelen, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nrs. […] en […], ter hoogte van de [locatie] te [plaats], afgewezen.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 8 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 januari 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. H.B.J. Berntzen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek om het treffen van handhavingsmaatregelen afgewezen omdat er volgens hem geen grond bestaat om aan te nemen dat er sprake is van bodemverontreiniging veroorzaakt door de opslag van autowrakken en hoewel de inrichting gedeeltelijk in strijd met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking is, bestaat naar de mening van verweerder een reële mogelijkheid dat voor de uitbreiding van de activiteiten een uitbreidingsvergunning verleend kan worden.
2.2. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Volgens verweerder kan de beslissing op bezwaar worden afgewacht.
2.3. Ter zitting heeft verzoekster desgevraagd gesteld dat haar belang is gelegen in het feit dat vergunninghoudster de zorgplicht van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer niet naleeft en in strijd wordt gehandeld met artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Voorts heeft zij naar voren gebracht dat verweerder al eerder de beslistermijnen niet in acht heeft genomen.
2.4. De Voorzitter overweegt dat, gelet op artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De Voorzitter is van oordeel dat in hetgeen van de zijde van verzoekster ter zitting is opgemerkt geen spoedeisend belang is gelegen een voorlopige voorziening te treffen. Hij ziet niet in waarom in het onderhavige geval niet de uitkomst van de bezwaarprocedure kan worden afgewacht, te meer daar ter zitting is gebleken dat het door verzoekster ingediende bezwaarschrift op 20 januari 2004 in de gemeentelijke commissie voor de bezwaar- en beroepschriften wordt behandeld. De Voorzitter neemt hierbij mede in aanmerking dat hem voorshands niet is gebleken dat zich op de genoemde percelen bodemverontreiniging voordoet. Gelet op het voorgaande kan het verzoek om voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking komen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.I. van Koten, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Koten
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2004
324.