ECLI:NL:RVS:2004:AO3934

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303829/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • J.H.B. van der Meer
  • J.A.M. van Angeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid rechtbank inzake brief van universiteitsbestuur als besluit

In deze zaak ging het om het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen die zich onbevoegd had verklaard kennis te nemen van het beroep tegen een brief van het Bestuur van de Faculteit der Medische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. De brief van 27 augustus 2002 informeerde appellant over de afwijzing van zijn verzoek om co-schappen bij ziekenhuizen en bood twee alternatieve mogelijkheden voor het voortzetten van zijn studie.

Appellant stelde dat deze brief wel als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moest worden aangemerkt omdat het bestuursorgaan rechtsgevolgen moest hebben beoogd. De rechtbank had echter geoordeeld dat de brief geen rechtsgevolg beoogde en daarom geen besluit was.

De Raad van State bevestigde dit oordeel en overwoog dat de brief slechts een mededeling bevatte over de afwijzing van het verzoek en mogelijke alternatieven, zonder dat het bestuursorgaan het door appellant gestelde rechtsgevolg beoogde of geacht moet worden te hebben beoogd. Daarmee was de rechtbank terecht onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

200303829/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 mei 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het Bestuur van de Faculteit der Medische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 13 juni 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen – voorzover thans van belang – het tegen de beslissing op bezwaar van het Bestuur van de Faculteit der Medische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: het Bestuur) van 23 mei 2002 gerichte beroep van appellant gegrond verklaard en die beslissing vernietigd.
Bij brief van 27 augustus 2002 heeft de directeur van het onderwijsinstituut van de Faculteit der Medische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: de directeur) aan appellant – onder meer – meegedeeld dat die faculteit in de nu ontstane situatie niet bij machte is om hem de mogelijkheden te bieden de opleiding Geneeskunde voort te zetten zoals de rechtbank in haar uitspraak heeft bepaald, doch dat er twee andere mogelijkheden voor een dergelijke voortzetting openstaan.
Bij uitspraak van 28 mei 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) zich onbevoegd verklaard van het tegen de brief van 27 augustus 2002 door appellant ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 juli 2003. Laatstgenoemde brief is aangehecht.
Bij brief van 27 augustus 2003 heeft het Bestuur van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn in kopie aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2004, waar het Bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.A. van Jaarsveld, gemachtigde, is verschenen. Appellant is, met bericht, niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij, omdat de brief van 27 augustus 2002 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank door te oordelen dat de brief van 27 augustus 2002 niet als besluit kan worden aangemerkt omdat daarmee geen rechtsgevolg is beoogd, miskent dat rechtshandelingen niet alleen die handelingen zijn waarmee het bestuursorgaan rechtsgevolgen heeft beoogd, maar ook die handelingen waarmee het bestuursorgaan rechtsgevolgen geacht moet worden te hebben beoogd. Appellant voert aan dat het Bestuur, nadat diverse ziekenhuizen het verzoek hem daar als co-assistent te plaatsen hebben afgewezen, geen verder stappen heeft ondernomen om hem elders te plaatsen en mitsdien geacht moet worden te hebben beoogd hem uit te sluiten van het lopen van co-schappen.
2.3. Dit betoog treft geen doel. De brief van 27 augustus 2002 behelst de mededeling aan appellant dat elk van de ziekenhuizen waar de co-schappen in het kader van de opleiding geneeskunde van de Rijksuniversiteit Groningen op grond van tussen de universiteit en de desbetreffende ziekenhuizen afgesloten overeenkomsten plegen te worden afgelegd, het verzoek appellant daar co-schappen te laten lopen heeft afgewezen. Voorts behelst de brief de mededeling dat de directeur nog twee, daarin nader beschreven, mogelijkheden ziet waarop appellant zijn studie zou kunnen vervolgen. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat met deze brief het door appellant gestelde rechtsgevolg is beoogd of geacht moet worden te zijn beoogd.
De rechtbank is derhalve terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de brief van 27 augustus 2002 niet als nieuwe beslissing op bezwaar kan worden aangemerkt en ook overigens niet als besluit kan worden gekwalificeerd.
2.4. Gelet hierop behoeft hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd geen bespreking.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Dallinga
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004
18-413.