ECLI:NL:RVS:2004:AO3937

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200303890/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 WroArt. 27 WroArt. 54 WroArt. 56 WroArt. 28 Wro
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestemmingplan Sint-Oedenrode goedgekeurd ondanks eerdere schorsing voorgaand plan

De gemeenteraad van Sint-Oedenrode stelde op 26 september 2002 een bestemmingsplan vast voor een locatie met een houtverwerkingsbedrijf. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende op 22 april 2003 goedkeuring aan dit plan. Appellant stelde beroep in tegen dit goedkeuringsbesluit, onder meer omdat het voorgaande plan voor dezelfde gronden door de Afdeling bestuursrechtspraak was geschorst.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was voor de gronden die niet waren ingebracht als zienswijze bij de gemeenteraad, en dat het beroep voor het overige ongegrond was. De Afdeling stelde dat de gemeenteraad bevoegd was het nieuwe bestemmingsplan vast te stellen ondanks de schorsing van het voorgaande plan en dat het college van gedeputeerde staten het plan terecht had goedgekeurd.

De Afdeling benadrukte dat de beoordeling van de bouwvergunning voor het houtverwerkingsbedrijf niet in deze procedure aan de orde kon komen. Er was geen aanleiding om het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan te vernietigen. Het beroep werd dus deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het goedkeuringsbesluit van het bestemmingsplan is deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

Uitspraak

200303890/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Sint-Oedenrode,
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 september 2002 heeft de gemeenteraad van Sint-Oedenrode, op voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2002, vastgesteld het bestemmingsplan [locatie].
Verweerder heeft bij zijn besluit van 22 april 2003, nr. 865279, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 juli 2003.
Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2004, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door
G.C. Toenbreker, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn het gemeentebestuur van Sint-Oedenrode, vertegenwoordigd door C. van Rossum en R. van den Broek, ambtenaren van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door F.C.H. Kastelijn, gemachtigde, daar verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In de door appellant ingebrachte zienswijze, voert hij aan dat de gemeenteraad het plan niet kan vaststellen zolang het besluit omtrent goedkeuring van het voorgaande plan voor de in het plangebied gelegen gronden nog door de Afdeling is geschorst. De beroepsgronden van appellant ten aanzien van het ontbreken van stukken bij de terinzagelegging van het ontwerp-plan, het in 1998 ingediende schetsplan, de omvang van de legaal opgerichte bebouwing, de bodemverontreiniging ter plaatse, de verrijking van [partij] ten opzichte van andere bedrijven, de chemische onveiligheid van de ter plaatse geproduceerde kinderspeeltoestellen, het mogelijk maken van een tennisbaan, het legaliseren van door het gemeentebestuur gedoogde, illegale detailhandel, het door vrijstelling mogelijk maken van een seksinrichting met bijbehorende horeca, en de onjuistheid van het PPC-advies, steunen derhalve niet op de door appellant ingebrachte zienswijze.
Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.
Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen.
Geen van deze omstandigheden doet zich voor.
Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.
2.3. Het plan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor het aan de [locatie] gevestigde houtverwerkingsbedrijf.
2.4. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Hij voert aan dat geen nieuw plan mocht worden vastgesteld nu ten tijde van de vaststelling van het plan het besluit van verweerder omtrent de goedkeuring van de bestemming van de gronden in een eerder plan door de Afdeling was geschorst. Daarnaast voert hij een aantal argumenten aan tegen een aan het betrokken houtverwerkingsbedrijf verleende bouwvergunning.
2.4.1. Verweerder acht het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft daaraan goedkeuring verleend. De gemeenteraad is bevoegd bestemmingsplannen te herzien wanneer dit door hem noodzakelijk wordt geacht, aldus verweerder.
2.4.2. Voorzover appellant betoogt dat geen nieuw plan voor de betrokken gronden mocht worden vastgesteld, overweegt de Afdeling als volgt. Het feit dat het besluit omtrent goedkeuring van het voorgaande bestemmingsplan voor deze gronden op het moment van het vaststellen van het voorliggende plan was geschorst, betekent niet dat de gemeenteraad niet bevoegd was tot het vaststellen van laatstbedoeld plan. Noch de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch andere relevante wetgeving bevat een bepaling met die strekking.
De door appellant aangevoerde bezwaren tegen een aan het betrokken houtverwerkingsbedrijf verleende bouwvergunning, kunnen in deze procedure niet aan de orde komen nu daarin slechts het besluit van verweerder omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan ter beoordeling staat.
2.5. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep voorzover het de beroepsgronden betreft ten aanzien van het ontbreken van stukken bij de terinzagelegging van het ontwerp-plan, het in 1998 ingediende schetsplan, de omvang van de legaal opgerichte bebouwing, de bodemverontreiniging ter plaatse, de verrijking van [partij] ten opzichte van andere bedrijven, de chemische onveiligheid van de ter plaatse geproduceerde kinderspeeltoestellen, het mogelijk maken van een tennisbaan, het legaliseren van door het gemeentebestuur gedoogde, illegale detailhandel, het door vrijstelling mogelijk maken van een seksinrichting met bijbehorende horeca, en de onjuistheid van het PPC-advies, niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Soede
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004
270-417.