ECLI:NL:RVS:2004:AO3947

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304159/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • J.H.B. van der Meer
  • J.A.M. van Angeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing tegemoetkoming op grond van bijzondere omstandigheden bij wegwerkzaamheden

Appellante had een aanvraag ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven voor een tegemoetkoming op grond van de Verordening geldelijke steun aan ondernemers die financieel nadeel ondervinden door wegwerkzaamheden. Deze aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, waarna diverse bezwaar- en beroepsprocedures volgden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante in eerste aanleg gegrond en vernietigde het besluit, waarna het college opnieuw bezwaar maakte en het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het daaropvolgende beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat het college terecht heeft vastgehouden aan de beleidsregels van de Verordening, ondanks de door appellante aangevoerde bijzondere omstandigheden zoals bodemsanering en de levensvatbaarheid van de onderneming op de nieuwe locatie. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 februari 2004.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200304159/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 14 mei 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) een aanvraag van appellante om haar krachtens de “Verordening geldelijke steun aan ondernemers die ten gevolge van werkzaamheden aan wegen financieel nadeel ondervinden 1995” een tegemoetkoming te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 6 januari 2000 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 januari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 5 april 2002 heeft het college het gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 mei 2003 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door haar bestuurder G.H.J.M. van den Brand, en mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Willem-Heesakkers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de bodemsanering en de levensvatbaarheid van de sportschool op de nieuwe locatie bijzondere omstandigheden vormen die het college ertoe hadden moeten brengen om appellante in afwijking van de Verordening de gevraagde tegemoetkoming te verlenen.
2.2. Het college heeft de grondsanering ten onrechte niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt, die tot afwijking van de Verordening zou kunnen nopen. Nu evenwel als gevolg van de in zoverre niet beroepen uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2001 in rechte vast staat dat de onderneming van appellante op de oude locatie niet levensvatbaar was, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, gegeven de hem toekomende vrijheid ten aanzien van de wijze waarop het een bijzondere omstandigheid in de belangenafweging betrekt, niet in redelijkheid in het ontbreken van de levensvatbaarheid aanleiding heeft kunnen vinden om onverkort aan de beleidsregels van de Verordening vast te houden. Dat, naar appellante heeft gesteld, de onderneming op de nieuwe locatie wél floreert, maakt dat niet anders.
2.3. De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, in voege als in overweging 2.2. vermeld.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Wolff
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004
238.