ECLI:NL:RVS:2004:AO3993

Raad van State

Datum uitspraak
12 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200400365/1 en 200400365/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • W. van den Brink
  • I. Sluiter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit verlenging begunstigingstermijn last onder dwangsom tot drie jaar

Het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek verlengde bij besluit van 25 juni 2002 de begunstigingstermijn van een eerder opgelegde last onder dwangsom tot 1 december 2003. Appellant maakte bezwaar tegen deze verlenging, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellant voerde aan dat de termijn onredelijk kort was en dat vanwege gewijzigde persoonlijke omstandigheden en het langdurig bestaan van de opslag, de begunstigingstermijn tot zes jaar had moeten worden verlengd. De rechtbank oordeelde echter dat het college de belangenafweging zorgvuldig had gemaakt en dat de termijn van drie jaar passend was, mede om precedenten te voorkomen en verkapt gedogen tegen te gaan.

De Raad van State bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de bestreden beslissing slechts handhaafde wat eerder was vastgesteld, zonder dat het oorspronkelijke besluit uit 2000 ter discussie stond. Er was geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn wordt bevestigd.

Uitspraak

200400365/1 en 200400365/2.
Datum uitspraak: 12 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 16 december 2003 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek (hierna: het college) de begunstigingstermijn van de bij besluit van 19 oktober 2000 opgelegde last onder dwangsom, verlengd tot 1 december 2003.
Bij besluit van 4 april 2003 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2003, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij eerstgenoemde brief heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.G. Blasweiler, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Hassankhan, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat de bij besluit van 19 oktober 2000 opgelegde last onder dwangsom, waartegen nimmer bezwaar is gemaakt, onherroepelijk vast staat. De bestreden beslissing op bezwaar behelst slechts de handhaving van een wijziging van de begunstigingstermijn van de bij dat besluit opgelegde last onder dwangsom.
Nu het besluit van 19 oktober 2000 in deze procedure niet aan de orde is betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank bij de beoordeling van de bestreden beslissing op bezwaar ook een beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit had moeten betrekken.
2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kon besluiten de begunstigingstermijn slechts tot 1 december 2003 te verlengen en aldus de duur van de begunstigingstermijn tot 3 jaar te beperken. Appellant meent dat de termijn tot een periode van 6 jaar had moeten worden verlengd. Daartoe voert hij aan dat zijn persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd, waardoor hij tegen de verwachting in zijn bedrijf nog enige jaren moet voortzetten, dat de opslag niets en niemand tot last is en dat deze al meer dan 30 jaar plaatsvindt.
2.3. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de begunstigingstermijn niet verder te verlengen. Daarbij heeft het de overwegingen van het college, dat het mede ter voorkoming van precedenten geen begunstigingstermijn wil stellen waarmee sprake is van een verkapt gedogen, terecht toereikend geacht. In dit verband is van belang dat een begunstigingstermijn er slechts toe dient de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De door appellant aangevoerde omstandigheden geven geen aanleiding te veronderstellen dat de gestelde begunstigingstermijn te kort is voor het uitvoeren van de last. Het betoog van appellant faalt derhalve.
2.4. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Sluiter
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2004
292.