ECLI:NL:RVS:2004:AO4607
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Beekhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging grondwatervergunning
Verzoekster had beroep ingesteld tegen besluiten van 28 oktober 2003 waarbij haar vergunningen voor grondwateronttrekking werden gewijzigd, zodat het onttrokken grondwater vanaf 1 mei 2005 uitsluitend voor beregening mocht worden gebruikt. Verzoekster vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De Voorzitter behandelde het verzoek op 26 januari 2004. Verzoekster stelde dat de wijziging niet redelijk was en dat alternatieven voor grondwateronttrekking niet bruikbaar of te kostbaar waren. Ook werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.
De Voorzitter overwoog dat de wijzigingen pas vanaf 1 mei 2005 ingaan, waardoor verzoekster tot die datum de oorspronkelijke vergunningen kon gebruiken. Er was geen spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening, mede omdat verzoekster niet ter zitting verscheen en haar spoedeisend belang niet had toegelicht.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werden geen proceskosten opgelegd. De uitspraak is een voorlopige beslissing en bindt niet in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de wijziging van de grondwatervergunning wordt afgewezen.