ECLI:NL:RVS:2004:AO4607

Raad van State

Datum uitspraak
19 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200308720/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H. Beekhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbGrondwaterwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen wijziging grondwatervergunning

Verzoekster had beroep ingesteld tegen besluiten van 28 oktober 2003 waarbij haar vergunningen voor grondwateronttrekking werden gewijzigd, zodat het onttrokken grondwater vanaf 1 mei 2005 uitsluitend voor beregening mocht worden gebruikt. Verzoekster vroeg tevens om een voorlopige voorziening.

De Voorzitter behandelde het verzoek op 26 januari 2004. Verzoekster stelde dat de wijziging niet redelijk was en dat alternatieven voor grondwateronttrekking niet bruikbaar of te kostbaar waren. Ook werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

De Voorzitter overwoog dat de wijzigingen pas vanaf 1 mei 2005 ingaan, waardoor verzoekster tot die datum de oorspronkelijke vergunningen kon gebruiken. Er was geen spoedeisend belang voor een voorlopige voorziening, mede omdat verzoekster niet ter zitting verscheen en haar spoedeisend belang niet had toegelicht.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werden geen proceskosten opgelegd. De uitspraak is een voorlopige beslissing en bindt niet in de bodemprocedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de wijziging van de grondwatervergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200308720/2.
Datum uitspraak: 19 februari 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Flevoland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij twee separate besluiten van 28 oktober 2003, met het identieke kenmerk MB/03.030976/A, heeft verweerder de krachtens de Grondwaterwet aan verzoekster verleende vergunningen van 15 mei 1997 voor het onttrekken van grondwater uit het derde watervoerend pakket ten behoeve van fertigatie, beregening en gewasbescherming vanaf de kavels […] en […] aan de [locatie] te [plaats], gewijzigd in die zin dat vanaf 1 mei 2005 het onttrokken grondwater uitsluitend ten behoeve van beregening mag worden gebruikt. Het besluit is op 12 november 2003 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 15 december 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2003, beroep ingesteld.
Bij eerstgenoemde brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 januari 2004, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, en Ph. Visser, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekster voert aan dat verweerder de vergunningen niet in redelijkheid heeft kunnen wijzigen. Zij stelt dat de door verweerder voorgestelde alternatieven voor grondwateronttrekking - het opslaan van water in buffertanks of aansluiting op het waterleidingnet - niet bruikbaar zijn dan wel te hoge kosten met zich brengen. Voorts acht zij de wijzigingen van de vergunningen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
2.2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Blijkens de bestreden besluiten treden de wijzigingen van de vergunningen eerst vanaf 1 mei 2005 in werking. Hieruit volgt dat verzoekster tot 1 mei 2005 met inachtneming van de op 15 mei 1997 verleende vergunningen, grondwater kan onttrekken en gebruiken voor fertigatie, beregening en gewasbescherming en dat zij gedurende deze periode geen gebruik behoeft te maken van de door verweerder voorgestelde alternatieven voor grondwateronttrekking. Uit de stukken blijkt verder dat verzoekster eerst eind 2004 een beslissing behoeft te nemen omtrent de voorgestelde alternatieven.
De Voorzitter ziet gelet hierop, en ook overigens, geen aanleiding voor het oordeel dat voldoende spoedeisend belang aanwezig is om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening voor inwilliging in aanmerking te laten komen. Hij neemt hierbij mede in aanmerking dat verzoekster niet heeft aangegeven wat haar spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening en niet ter zitting is verschenen.
2.3. De Voorzitter wijst het verzoek af.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Zwinkels
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2004
414.