ECLI:NL:RVS:2004:AO4809
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- S. Zwemstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ligplaatsvergunning voor vervanging woonschip aan Veenkade/Noordwal
Appellante verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om een vergunning voor het vervangen van haar woonschip aan de Veenkade/Noordwal. Het college wees dit verzoek op 29 oktober 2002 af vanwege het overschrijden van de in de bestaande vergunning genoemde afmetingen en het geldende uitsterfbeleid voor woonschepen op die locatie.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 4 februari 2003 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de voorzieningenrechter, die op 5 augustus 2003 het beroep eveneens ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellante hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de Verordening op de Binnenwateren en het daarop gebaseerde aanwijzingsbesluit van 18 juni 2001 duidelijk voorschrijven dat voor de Veenkade/Noordwal geen nieuwe ligplaatsvergunningen worden uitgegeven. Omdat het vervangende woonschip de toegestane afmetingen overschrijdt, was een nieuwe vergunning vereist, die niet kon worden verleend. Het college had geen beleidsruimte om hiervan af te wijken.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering van de ligplaatsvergunning bevestigd.