ECLI:NL:RVS:2004:AO5168
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- P. van Dijk
- J.H.B. van der Meer
- E.A. Alkema
- Rechtspraak.nl
Onthouding van rechten voor nieuwe HBO-opleidingen wegens doelmatigheidsoverwegingen
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bij besluit van 31 mei 2002 de rechten onthouden aan de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim voor registratie van drie nieuwe HBO-opleidingen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO) voor het studiejaar 2003-2004. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en heroverweging, waarbij de Minister oordeelde dat de uitbreiding van HBO-rechten niet doelmatig was, mede vanwege het beleid gericht op terughoudendheid en prioritering van bepaalde sectoren zoals gezondheidszorg, lerarenopleidingen en veiligheid.
De hogeschool stelde dat de opleidingen als nevenvestigingen geregistreerd hadden moeten worden en dat dit de rechten zou rechtvaardigen. De Raad van State oordeelde dat het ontbreken van een aanmelding als nevenvestiging en het beleid van de Minister om alleen rechten toe te kennen aan opleidingen in gemeenten met een universiteitsfaculteit rechten, niet in strijd is met het HOOP 2000-beleid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak bevestigt de bevoegdheid van de Minister om op grond van artikel 6.4 van de WHW rechten aan nieuwe opleidingen te onthouden wanneer de doelmatigheid niet kan worden aangetoond, en onderstreept het belang van het door de overheid gevoerde beleid om de uitbreiding van het HBO-aanbod te reguleren.
Uitkomst: Het beroep van Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim tegen het besluit tot onthouding van rechten aan nieuwe HBO-opleidingen is ongegrond verklaard.