AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging geldboete wegens niet-gecertificeerd pootgoed in strijd met keuringsreglement
Appellant kreeg door de Tuchtrechtcommissie van de NAK een onvoorwaardelijke geldboete opgelegd van ƒ 5000 wegens het aanbieden van pootgoed dat niet door de NAK was goedgekeurd en gecertificeerd, in strijd met artikel 21.1.1 van het Keuringsreglement 1999.
Appellant voerde aan te goeder trouw te hebben gehandeld, omdat hij meende dat een NAK-keuring niet verplicht was en dat de keurmeester naliet tijdig maatregelen te treffen om alsnog certificering te verkrijgen. De rechtbank en de Raad verklaarden het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant ondanks de informatiegids en waarschuwingen van de keurmeester verantwoordelijk bleef voor naleving van de keuringsvoorschriften. De stelling van te goeder trouw faalde, en de opgelegde geldboete werd niet onjuist of onevenredig bevonden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de geldboete bevestigd.
Uitspraak
200301411/1.
Datum uitspraak: 10 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 januari 2003 in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van Beroep te Westervoort.
1. Procesverloop
Bij besluit van 24 april 2001 heeft de Tuchtrechtcommissie van de stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (hierna: de NAK) aan appellant een onvoorwaardelijke geldboete opgelegd van ƒ 5000,00 (€ 2268,90).
Bij besluit van 23 november 2001 heeft de Raad van Beroep (hierna: de Raad) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 april 2003 heeft de Raad van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2003, waar partijen niet zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens heropend teneinde de NAK alsnog onder toepassing van artikel 8:26 vanPro de Algemene wet bestuursrecht als partij tot het geding toe te laten.
Bij brief van 4 november 2003 heeft de NAK een schriftelijke uiteenzetting over de zaak aan de Afdeling toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 9 december 2003 waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. A. Koekoek, advocaat te Assen, en de Raad, vertegenwoordigd door zijn voorzitter mr. E. Huber, zijn verschenen. Voor de NAK is ter zitting verschenen mr. A.S.H. Kroon, werkzaam bij de NAK.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 21.1.1. van het Keuringsreglement 1999 van de NAK mag een aangeslotene geen teeltmateriaal van landbouwgewassen te koop aanbieden, verkopen, of zijn bemiddeling verlenen bij aan- en verkoop, afleveren of doen afleveren, vervoeren of doen vervoeren, dat niet vanwege de NAK uiteindelijk is goedgekeurd en ten bewijze daarvan voorzien is van de daartoe in overeenstemming met het in dit reglement bepaalde afgegeven bewijsstukken, merken en tekenen en aangebrachte sluitingen. Het oordeel van de rechtbank dat is komen vast te staan dat appellant in strijd met artikel 21.1.1. van het Keuringsreglement 1999 heeft gehandeld en dat deze bepaling als grondslag voor de opgelegde boete heeft kunnen dienen is in hoger beroep niet weersproken.
2.2. Appellant bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat appellant wist dat het aan telers van TBM-pootgoed geleverde uitgangsmateriaal voor verhandeling gekeurd diende te worden door de NAK en van NAK-certificaten diende te worden voorzien. Volgens appellant heeft de rechtbank miskend dat hij te goeder trouw in de veronderstelling verkeerde dat een NAK- keuring niet was vereist. Daartoe is in hoger beroep aangevoerd dat hem terzake geen verwijt kan worden gemaakt, nu de keurmeester destijds heeft verzuimd om overeenkomstig paragraaf 5.3 van de informatiegids 2002 van de NAK tijdig maatregelen te treffen, opdat appellant dit pootgoed alsnog ter certificering had kunnen aanbieden.
2.3. Daargelaten de vraag of aan de door appellant genoemde informatiegids rechten kunnen worden ontleend, ontsloeg genoemde paragraaf appellant niet van de verplichting om zorg te dragen voor de naleving van de voorschriften ten aanzien van keuring en certificering van de daarvoor in aanmerking komende pootaardappelen. Voorts is in dit verband van belang dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de keurmeester appellant in het voorjaar van 2000 heeft gewaarschuwd dat bij hem het vermoeden was gerezen dat niet alle geleverde pootaardappelen waren gekeurd en gecertificeerd, maar dat appellant destijds bestreed dat verdere keuring noodzakelijk was geweest. In verband hiermee kan de stelling van appellant dat hij geheel te goeder trouw heeft gehandeld niet slagen.
Ook in hetgeen appellant anderszins heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om de aan appellant terzake opgelegde geldboete onjuist of onevenredig te achten.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.