ECLI:NL:RVS:2004:AO5211

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200304770/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. van den Brink
  • J.H. Roelfsema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 planvoorschriften bestemmingsplan Landelijk Gebied-Noord
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bouwvergunning voor wijziging zijgevel en inpandig balkon binnen bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein verleende op 17 december 2001 een bouwvergunning voor het wijzigen van de zijgevel en het maken van een inpandig balkon in een pand te IJsselstein. Appellante maakte bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college op 12 juni 2002 ongegrond werd verklaard met een wijziging van het balkon naar enkele dakramen. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit op 24 juni 2003 ongegrond.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat het bouwplan in strijd was met artikel 19 van Pro het bestemmingsplan “Landelijk Gebied-Noord”, met name dat de maximale inhoud van 550 m3 niet mocht worden overschreden. De Raad van State oordeelde dat de planvoorschriften een uitbreiding binnen de bebouwingsgrenzen toestaan tot maximaal 15% van het bestaande grondoppervlak of een maximale inhoud van 550 m3, mits achter de voorgevelrooilijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het bouwplan aan deze voorwaarden voldeed en dat de aangehaalde eerdere uitspraak niet relevant was vanwege andere planvoorschriften. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200304770/1.
Datum uitspraak: 10 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juni 2003 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de zijgevel van, en het maken van een inpandig balkon in een pand op het perceel [locatie] te IJsselstein (hierna: het perceel).
Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de bouwvergunning gehandhaafd, onder wijziging van de zinsnede "het maken van een inpandig balkon" in "het aanbrengen van enkele dakramen".
Bij uitspraak van 24 juni 2003, verzonden op 27 juni 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 18 juli 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 18 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 oktober 2003 heeft vergunninghouder een reactie ingediend.
Bij brief van 27 oktober 2003 heeft het college van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door N.J. Vette, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Met het bouwplan wordt een andere indeling van de woonboerderij beoogd, waarbij een deel van het op de bouwtekening als “achterhuis” aangeduide gedeelte van het gebouw wordt betrokken bij het woongedeelte.
2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Landelijk Gebied-Noord” rust op het perceel de bestemming “Woondoeleinden”.
Op grond van artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de daarvoor aangewezen gronden bestemd voor eengezinswoningen met daarbij behorende tuinen en erven.
Ingevolge het tweede lid en de aanwijzing op de plankaart mogen op deze gronden uitsluitend boerderijtypen worden gebouwd.
Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, dienen de boerderijtypen gebouwd te worden binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsgrenzen, met dien verstande dat de bebouwingsgrenzen mogen worden overschreden met een uitbreiding van de woning met maximaal 15% van het op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerpplan bestaande grondoppervlak of een uitbreiding tot een totale maximale inhoud van 550 m3 mits deze uitbreidingen achter de voorgevelrooilijn plaatsvinden.
2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Volgens appellante moet deze bepaling zo worden uitgelegd, dat binnen de woonbestemming slechts een woning mag worden gebouwd met een maximale inhoud van 550 m3.
2.4. Dit betoog faalt. Artikel 19, derde lid, aanhef en onder a kan niet anders worden gelezen dan dat de daar genoemde maximale inhoud geen beperking vormt voor de uitbreiding van een woning, zolang deze uitbreiding plaats vindt binnen de bebouwingsgrenzen. Dat is met dit bouwplan het geval.
De door appellante aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 11 december 2002, in zaak nummer 200202315/1 (www.raadvanstate.nl) leidt niet tot een ander oordeel, omdat in die zaak andere planvoorschriften aan de orde waren.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Roelfsema
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004
58-429.