ECLI:NL:RVS:2004:AO5217

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200305165/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 A Algemene plaatselijke verordeningArt. 43 Algemene plaatselijke verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning voor recreatie-inrichting en tuinterras ondanks bezwaar

De burgemeester van Den Haag verleende op 14 juni 2002 een vergunning aan een exploitant voor het drijven van een recreatie-inrichting en een tuinterras aan een locatie in Den Haag. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door de burgemeester ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank 's-Gravenhage het beroep van appellanten tegen deze vergunning eveneens ongegrond.

Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State. Zij voerden aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van voortgezet gebruik van het tuinterras na het van kracht worden van het bestemmingsplan. De Raad van State oordeelde echter dat de burgemeester terecht had vastgesteld dat het gebruik van het tuinterras overeenkomt met het gebruik ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan en dat er geen vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan was.

Verder werd vastgesteld dat het tuinterras onderdeel uitmaakt van de vergunning voor het restaurant en dat de vergunningen steeds tijdig waren verlengd. Wel werd benadrukt dat het gebruik van de vergunning afhankelijk is van naleving van milieueisen. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200305165/1.
Datum uitspraak: 10 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 juni 2003 in het geding tussen:
appellanten
en
de burgemeester van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2002 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) aan [vergunninghoudster] onder voorschriften vergunning verleend voor het drijven van een recreatie-inrichting én een daarbij behorend tuinterras aan de [locatie] te Den Haag.
Bij besluit van 16 januari 2003 heeft de burgemeester het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 24 juni 2003, verzonden op 25 juni 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 23 september 2003 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
Bij brief van 22 januari 2004 hebben appellanten de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2004, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P. Buwalda, en de burgemeester, vertegenwoordigd door C.E.J.M. Vaars en Y. Ammerdorffer, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn R. van de Graaff en C.A. Lobik namens [vergunninghoudster] ter zitting verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van voortgezet gebruik van het tuinterras na het van kracht worden van het bestemmingsplan, faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de burgemeester zich, gelet op artikel 61 A, onder d, van de Algemene plaatselijke verordening en de in artikel 43 neergelegde Pro overgangsbepalingen bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik dat [vergunninghoudster] van de tuin wenst te maken overeenkomt met het gebruik op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan (12 januari 1989) en dat geen sprake is van een wijziging van dat gebruik waardoor de afwijking van het plan naar de aard is vergroot. Voor de vraag of sprake is van een vergroting van de afwijking naar de aard is niet van belang of sprake is van intensivering van het gebruik van het terras. Onbestreden is voorts dat aan de [locatie] te Den Haag voortdurend een restaurant is geëxploiteerd. Voor de exploitatie van het restaurant is telkens een vergunning verleend. De mogelijkheid van exploitatie van het tuinterras vormt een onderdeel van die vergunning. Weliswaar kan het tuinterras ingevolge de vergunning niet het hele jaar door worden geëxploiteerd, maar dit heeft geen invloed op de rechtsgeldigheid van die vergunning. Niet is aangetoond dat de aan de elkaar opvolgende exploitanten verleende vergunningen op enig moment zijn vervallen zonder dat de verlenging van die vergunningen binnen de daarvoor geldende termijn van 13 weken is aangevraagd.
2.2. Het vorenstaande laat onverlet dat slechts van de vergunning gebruik kan worden gemaakt, indien aan de eisen die de milieuwetgeving stelt, wordt voldaan.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004
91-395.