ECLI:NL:RVS:2004:AO5218
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- P.A. Offers
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking terrasvergunning
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellanten tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die hun beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De burgemeester van Den Haag had eerder een vergunning verleend voor het exploiteren van een restaurant, waarbij een specifieke voorwaarde (III.2) was gewijzigd en later ingetrokken. Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat appellanten niet ontvankelijk waren omdat zij geen direct belang hadden bij het beroep, mede omdat het voor de vergunningverlening aan nieuwe exploitanten niet relevant is of de rechtsvoorgangers al dan niet een vergunning hadden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel en verklaart het hoger beroep ongegrond.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 10 maart 2004 door de voorzitter en leden van de Afdeling, in aanwezigheid van een ambtenaar van Staat.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van appellanten bevestigd.